Onderstaand overzicht laat per onderdeel zien welke detailinformatie het dashboard bevat. Klik op een titel om er direct naartoe te gaan. Onderdelen met de aanduiding CSV kun je ter plekke als bestand voor Excel downloaden. Met de knop rechtsboven print je het hele dashboard als PDF, en met de knop bij elke sectiekop een losse sectie.
Bij elke sectiekop staat een label met de peildatum en de status van de cijfers: Definitief Voorlopig Raming Modelmatig
Mercer-totaalscore afgezet tegen het pensioenvermogen per inwoner, met de beschrijvende samenhang tussen beide.
Alle 55 landen uit de Mercer 2025-index, sorteerbaar op totaalscore en op de subscores voor adequaatheid, houdbaarheid en integriteit. Als CSV te downloaden.
Verschuivingen in de Mercer-indexscores per land tussen beide edities, per subindex te bekijken.
Toelichting op de vertaling van ruw pensioenvermogen naar een houdbaarheids-subscore, met de gehanteerde aannames.
De private huishoudbalans, waarbij het opgebouwde pensioenvermogen als tegenpost tegenover de hypotheekschuld wordt gezet.
Interactieve toelichting waarom een lagere rente niet hetzelfde is als een zwakker stelsel, via de looptijd van de verplichtingen.
Invaarstand, gemiddelde structurele verhoging, DNB-bevindingen uit de eerste invaarbeoordelingen en de kosten van stelsel en transitie.
Invaarresultaten van de grootste fondsen en eerste invaarders, de dekkingsgraad-paradox en de verschuiving van collectief naar individueel in het Mercer-kader.
De rolverdeling rond de transitie: sociale partners, fondsbestuur, verantwoordingsorgaan, intern toezicht, DNB (prudentieel) en AFM (gedrag). Wie doet wat, wie niet, en waar het in de praktijk misgaat.
Wtp-transitie per fonds en APF-kring: beoogde overgangsdatum, contractkeuze, invaren en beoogde uitvoerder, met DNB-relatienummer, bronlaag en eenduidigheidsstatus. Doorzoekbaar, filterbaar en als CSV te downloaden. Bron: PensioenNetwerk.nl.
De belangrijkste gepubliceerde uitspraken over de Wtp-transitie sinds 1 juli 2023, met ECLI-links en de kern per uitspraak. Bron: rechtspraak.nl en het College voor de Rechten van de Mens.
Wat er overblijft onder het FTK, de buy-outroute naar verzekeraars en de houdbaarheidsvragen na de transitie. Met een selectie van openbaar gemaakte buy-outs als CSV. Bronnen: DNB, Athora, a.s.r., IBO en SVB.
178 individuele fondsen, doorzoekbaar en sorteerbaar op deelnemers (actieven, slapers, gepensioneerden), kosten en dekkingsgraden over 2024. Als CSV te downloaden.
Cumulatief fondsrendement over 2022K2 tot en met 2025K2, met de rol van renteafdekking en de sectorcontext.
Hoe de renteafdekking met swaps pensioenfondsen blootstelt aan margin calls en gedwongen verkoop van veilige staatsobligaties. Op basis van DNB-toezichtdata 2012-2022. Bron: Jansen e.a., Review of Financial Studies 2026 (CC BY 4.0).
Nominale en reële rendementen van pensioenfondsen per land over 2025 (OECD, voorlopig). Nederland als enige OECD-land negatief. Als CSV te downloaden.
Beleggingsrendement op pensioenvermogen binnen het eurogebied over 2025, per land met Nederland uitgelicht. Nederland min 2,7% tegen 5,1% voor de rest. Bron: OECD en BGEZ (Bob Galesloot). Als CSV te downloaden.
Marktomvang van verzekeraars, PPI's en APF buiten de fondsentabel, plus de duurzaamheid van deze uitvoerders.
De Wtp-transitie voor verzekerde regelingen: omzetstatus, contractkeuze, eerbiedigende werking, compensatie, premie en nabestaandenpensioen.
Gemiddeld netto rendement van de neutrale lifecycle van zeven verzekeraars en PPI's over 2016 tot en met 2025, met de bandbreedte tussen de uitvoerders.
Sectorbrede toezichtdata per 31 december 2024: omvang, de partnerpensioenrisico's, de beleggingsvrijheid, de klachten rond de transitie en de flexibiliteits- en keuzemogelijkheden uit de bijlage.
Twee externe benchmarks voor de pensioenfondsen: de beleidsbeoordeling duurzaamheid van de Eerlijke Pensioenwijzer en de VBDO-benchmark verantwoord beleggen 2024.
De klimaatmetrieken van de sector: de CO2-voetafdruk, het Klimaatcommitment en de reductiedoelen, en de mate waarin de plannen in lijn zijn met Parijs. Bronnen: Klimaatcommitment, DNB en Eerlijke Geldwijzer.
De toetsbare beleggingsovertuigingen als strategisch kompas onder de Wtp: de DNB- en prudent-person-verankering, de Triple A, de herijking, en de rente-afdekking per profiel (CSV). Bron: Sillen 2026, DNB en wetenschap.
Formele klachten en geschillen over de transitie bij de GIP, het Kifid en de Raad voor de Rechtspraak, als hard frictiesignaal naast de beleving.
Wat het stelsel de deelnemer oplevert: de vervangingsratio en de DNB-analyse van pensioentoereikendheid op huishoudniveau.
Tevredenheid over en het belang dat werknemers hechten aan hun pensioenregeling.
Vertrouwen in het stelsel volgens de Publieksmonitor kwartaal 2 2026, met de generatie- en kennisverschillen en het communicatiebereik.
Uitvoerder-specifieke beleving van de transitie volgens de Netspar-monitor: tevredenheid, verwachting, vertrouwen en emoties bij deelnemers van deelnemende fondsen.
De eerste pijler als context: AOW-druk, werkenden per AOW'er, AOW-uitgaven als percentage van het bbp en de financiering uit algemene middelen.
Werknemers zonder pensioenopbouw (766.000 in 2022, 10,6%) en de halveringsambitie, plus de zzp-dekking. Bron: CBS en Stichting van de Arbeid. Als CSV te downloaden.
De fiscale bouwstenen van de derde pijler (jaarruimte, reserveringsruimte, TOL, bedrag ineens), de bedragen 2026 en de raakvlakken met de Wtp: zzp, box 3 en het ontbrekende flexibele product. Bron: Belastingdienst. Als CSV te downloaden.
Historische robuustheidstest van het nieuwe stelsel over 1925 tot 2025: hogere pensioenen, geen verlagingen en de rol van de solidariteitsreserve.
Historische beurscrashes van 1929 tot 2022 met de maximale daling, de duur en de hersteltijd, als context bij het beleggingsrisico.
Modelmatige analyses, apart gehouden van de primaire data: rendementen per regio en assetklasse, de Wtp-counterfactual, de generatie-impact en de rolling veertigjaars uitkeringsratio.
De levensverwachting en de AG-prognosetafel achter de verplichtingen en de AOW-leeftijd, plus de consolidatie van 1.042 fondsen (1998) naar circa 165 nu. Bronnen: AG, SVB en DNB. Als CSV te downloaden.
Volledige bronvermelding per sectie, met de gebruikte publicaties, edities en peildata, en de klikbare verwijzingen.
Juridische verantwoording en uitsluiting van aansprakelijkheid.
Dit Integraal Pensioendashboard is met de grootst mogelijke zorg samengesteld, uitsluitend uit publiek beschikbare bronnen zoals vermeld in de bronnenlijst. De informatie en data in dit dashboard dienen uitsluitend als algemene, informatieve weergave van de stand van het pensioenstelsel op de vermelde peildata.
De Mercer-score en de OECD-vermogenscijfers zijn momentopnamen. Ze vangen niet dat Nederland zijn stelsel fundamenteel hervormt onder de Wet toekomst pensioenen: van collectieve aanspraken naar individuele pensioenvermogens. De eerste invaarronde geeft een voorlopig, maar concreet beeld van hoe die overgang uitpakt.
Stand en beoogde invaarmomenten volgens de EY Transitiemonitor Zomerrapportage 2026 (24 juni 2026), op basis van de DNB-uitvraag over het tweede kwartaal 2026. Scope: de 140 fondsen en kringen die invaren, samen 83 procent van de fondsen en kringen en 99 procent van de deelnemers. Telwijze: fondsen en kringen samen geteld. De uiterste transitiedatum blijft 1 januari 2028.
Een greep uit de fondsen die hun verhoging publiek maakten. Dit is geen volledig overzicht; niet alle ingevaren fondsen publiceren een vergelijkbaar cijfer. Een deel van de verhoging komt uit rendement, een deel uit de invaarsystematiek en reserves.
De Nederlandsche Bank beoordeelt elk fonds vóór het invaren. Bij een deel van de fondsen constateerde DNB tekortkomingen op onderdelen van de transitie. Het toezicht richt zich vooral op de transitiedoelstellingen en de evenwichtige belangenafweging tussen generaties.
De uitvoeringskosten van de Nederlandse pensioenfondsen bedroegen in 2025 circa 9,3 miljard euro (167 fondsen). De vermogensbeheerkosten waren met 6,3 miljard de grootste post (68 procent), gevolgd door de transactiekosten met 1,3 miljard (14 procent) en de pensioenbeheerkosten met 1,66 miljard (18 procent). De gemiddelde pensioenbeheerkosten per deelnemer stegen naar 152 euro (was 136 euro in 2024 en 121 euro in 2023). De vermogensbeheerkosten bedroegen gemiddeld 0,4 procent van het belegd vermogen, met een bandbreedte van 0,1 tot 0,8 procent per fonds. Hogere kosten hangen samen met een groter aandeel illiquide beleggingen (private equity, infrastructuur, vastgoed) en actief beheer.
Een deel van de kostenstijging hangt samen met de overgang naar het nieuwe stelsel. Bell schat de Wtp-transitiekosten over 2024 op circa 200 miljoen euro, ongeveer veertig procent hoger dan in 2023. Deze schatting isoleert het als transitie geoormerkte deel binnen de totale pensioenbeheerkosten, die in 2024 met 17,7 procent stegen naar 1,4 miljard euro. De twee cijfers meten dus verschillende grootheden. De 1,4 miljard betreft alle pensioenbeheerkosten waarvan de transitie een aanjager is, de 200 miljoen alleen het transitiedeel. Bron: Bell, Werk in uitvoering bij pensioenfondsen 2026 (analyse van 167 jaarverslagen 2025).
Lage kosten zijn geen doel op zich. Netspar onderzocht in oktober 2026 hoe kostentransparantie in het nieuwe stelsel betekenisvol kan worden vormgegeven. De kernboodschap: kosten krijgen pas betekenis in samenhang met rendement, risico en de kwaliteit van de dienstverlening. Hogere vermogensbeheerkosten kunnen gerechtvaardigd zijn als ze leiden tot een beter pensioenresultaat. Door lifecycle-beleggen dragen jongere deelnemers procentueel hogere kosten dan gepensioneerden (meer zakelijke waarden, hogere beheerkosten, maar ook hoger verwacht rendement). En de financiering van pensioenbeheerkosten via een opslag op de premie leidt tot impliciete herverdeling van hogere naar lagere inkomens en van lange naar korte deelnemers, een punt dat onder de Wtp met persoonlijke pensioenvermogens zichtbaarder wordt.
Bron: Ter Ellen, De Bruijne, Capel, Laning, Lever, Mans, Nijman, De Nijs en Scheffers, Kostentransparantie en -verantwoording bij het beheer van pensioengelden (Netspar Occasional Paper 2026-02, 28 oktober 2026).
Of deze kosten tijdelijk blijven, is onzeker. In het KPMG Pensioenonderzoek 2025 geven bestuurders aan dat de verwachte kostenvoordelen van premieregelingen vooralsnog uitblijven en dat kosten voor IT, communicatie en zorgplicht structureel dreigen te worden in plaats van eenmalig.Mercer waardeert Nederland al jaren als beste stelsel, vooral door consistent hoge scores op toereikendheid, houdbaarheid en integriteit. De Wtp verandert de aard van die kwaliteit: de zekerheid van vaste aanspraken maakt plaats voor beweeglijker, maar naar verwachting hogere uitkeringen. Of de koppositie standhoudt, hangt af van hoe de rest van de transitie verloopt. De internationale cijfers hieronder tonen de uitgangspositie, niet de eindbestemming.
Bron: EY Adviseurs, Wtp Transitiemonitor Zomerrapportage 2026 (24 juni 2026), op basis van de DNB-uitvraag over het tweede kwartaal 2026, als bijlage bij de Voortgangsrapportage monitoring Wtp zomer 2026 (ministerie van SZW, 2 juli 2026). Dekkingsgraad uit DNB, tweede kwartaal 2026 (peildatum 30 september 2026). De pensioenstijging bij invaar en het aantal gepensioneerden met een hogere uitkering berusten op de Pensioenfederatie (26 februari 2026) en zijn in de zomerronde niet geactualiseerd. Verder: Bell Pension Consultants & Actuaries (9 oktober 2025) en KPMG Pensioenonderzoek 2025. Een exacte verdeling van de ingevaren deelnemers over actieven, gewezen deelnemers en gepensioneerden is niet openbaar vastgelegd.
Bij de eerste invaarronde zijn de vijf grootste fondsen leidend voor het beeld. Daarnaast verheldert dit onderdeel waarom een lage marktwaarde-dekkingsgraad iets anders is dan een zwak stelsel, en hoe de overgang van uitkerings- naar premieovereenkomsten in het Mercer-kader valt.
De uitkomsten verschillen per fonds, afhankelijk van dekkingsgraad, deelnemerspopulatie en beleggingsbeleid. De onderstaande dekkingsgraden en bedragen zijn ontleend aan publieke communicatie van de fondsen en zijn deels nog voorlopig.
Twee zaken die vaak door elkaar lopen, staan hier bewust apart. De algemene verhoging of indexatie komt uit de verdeling van de invaarbuffer en komt vrijwel alle deelnemers ten goede, ook gepensioneerden. De compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek is gericht op de benadeelde cohorten, doorgaans actieve deelnemers vanaf ongeveer 40 jaar, en wordt gefinancierd uit vermogen of gespreid uit premie. Waar een fonds alleen een gecombineerd cijfer communiceert, is dat vermeld.
| Fonds | Sector | Invaardatum | Dekkingsgraad | Algemene verhoging / indexatie | Compensatie afschaffing doorsneesystematiek | Deelnemers |
|---|---|---|---|---|---|---|
| ABP | Publieke sector | 1 januari 2027 | 123,5% | Nog niet aangekondigd (invaart 1 januari 2027) | Voor deelnemers vanaf ongeveer 40 jaar. Financiering eenmalig uit vermogen of gespreid uit premie (max. 10 jaar) | 3,1 mln |
| PFZW | Zorg en Welzijn | 1 januari 2026 (gerealiseerd) | 125,7% | Pensioenen bij invaar hoger, circa 12% (fonds rapporteert dit inclusief compensatie, niet uitgesplitst) | Gericht op actieve deelnemers geboren 1959 t/m 1995, als extra bedrag in het persoonlijk pensioenvermogen, uit het fondsvermogen | ruim 3 mln |
| PMT | Metaal en Techniek | 1 januari 2026 (gerealiseerd) | 122,6% | Niet apart gespecificeerd | Eenmalige compensatie uit vermogen op invaardatum | 1,3 mln |
| PME | Metalektro | 1 januari 2027 | 125,3% | Indexatie 2,82% | Eenmalige compensatie bij invaar | — |
| bpfBOUW | Bouw | 1 januari 2026 (gerealiseerd) | 141,0% | Verhoging uit de ruime buffer bij invaren | Eenmalige compensatie op invaardatum | — |
| Rail & OV | Spoor en OV | 1 januari 2026 | 141,5% | Verhoging 3,02% per 31 december 2025, buffer over alle deelnemers | Niet apart gespecificeerd | circa 113 duizend |
| BPF Schilders | Schilders, afwerking en glas | 1 januari 2026 | 150,8% | Pensioenen verhoogd uit de buffer bij invaar | Compensatie uitgekeerd bij invaar | circa 110 duizend |
| Vlakglas (BPFV) | Groothandel vlakglas en verf | 1 januari 2026 | 132,9% | Niet apart gespecificeerd | Niet apart gespecificeerd | circa 48 duizend |
Bron: DNB, Pensioenfederatie, jaarverslagen en persberichten 2025 en 2026. De kolommen onderscheiden de algemene verhoging of indexatie, die vrijwel alle deelnemers ten goede komt, van de gerichte compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek. Sommige fondsen, zoals PFZW, communiceren hierover een gecombineerd cijfer. De getoonde dekkingsgraad is de actuele dekkingsgraad per 31 december 2025 die de invaarders van 1 januari 2026 gebruiken voor de verdeling van het vermogen, niet de beleidsdekkingsgraad. Voor de invaarders van 2027 (ABP, PME) geldt de dekkingsgraad per eind 2025 als vertrekpunt. De actuele dekkingsgraden per 31 december 2025 van Rail & OV (141,5%), BPF Schilders (150,8%) en Vlakglas (132,9%) komen uit de eigen fondscommunicatie. PFZW, PMT en bpfBOUW zijn inmiddels gerealiseerd per 1 januari 2026 en primair bevestigd via de eigen fondsberichten, opgenomen in het transitieregister van PensioenNetwerk.nl (versie 2 november 2026). Het bpfBOUW-bericht bevestigt de hier genoemde dekkingsgraad van 141,0%. Ter context: DNB meldde per het derde kwartaal van 2026 dat 42 fondsen en APF-kringen waren ingevaren. De vermogensstand en dekkingsgraad staan bij De officiële transitiestand. De volledige stand staat bij De officiële transitiestand. Niet alle ingevaren fondsen publiceren een vergelijkbare invaardekkingsgraad. De exacte uitkomst wordt definitief per deelnemer vastgesteld.
De compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek wordt in veel regelingen eenmalig toegekend op het invaarmoment van het fonds. Bepalend is of iemand op dat moment nog pensioen opbouwt bij dat fonds. Wie kort voor de overgang uit dienst gaat en elders pensioen gaat opbouwen, kan daardoor buiten de regeling vallen, ook al behoort hij tot de beoogde doelgroep van doorgaans actieve deelnemers tussen 40 en 60 jaar. Omdat fondsen niet gelijktijdig invaren, kan iemand aan beide kanten buiten de boot vallen. Wie in 2026 overstapt van een fonds dat nog moet invaren, zoals ABP, naar een fonds dat al over is, zoals PFZW, mist de compensatie bij allebei.
De minister van SZW schat, op basis van CBS-data en modelmatige aannames, dat het dit jaar om enkele tienduizenden werknemers kan gaan, met de kanttekening dat het een globale schatting is. Binnen het huidige wettelijke en fiscale kader is het niet op te lossen, en vrijwillige voortzetting biedt vaak geen uitkomst, omdat niet elk fonds die optie aanbiedt of omdat ze financieel onaantrekkelijk is. De inzet ligt daarom vooral bij tijdige en duidelijke communicatie. De AFM roept uitvoerders op helder te informeren over de compensatieregeling en de voorwaarden voor vrijwillige voortzetting, omdat die informatie nu vaak ontbreekt in de stopbrief.
Bron: minister van SZW, Kamerbrief van 24 april 2026 en wetgevingsoverleg van 18 mei 2026 (schatting op basis van CBS-data en modelmatige aannames). De AFM dringt in haar transitietoezicht aan op tijdige en duidelijke informatie over compensatie en vrijwillige voortzetting. Voorbeeld en mechaniek mede op basis van fondscommunicatie, waaronder PFZW. Dit betreft een deelnemersperspectief, geen sectorbrede telling.
Het transitieregister bevat inmiddels voor 124 fondsen en kringen de compensatieafspraken voor de afschaffing van de doorsneesystematiek. Dat maakt het voor het eerst mogelijk de inrichting van de compensatie sectorbreed te overzien.
De meeste fondsen kiezen voor eenmalige compensatie (73 van 124), gevolgd door periodiek (15) en een hybride vorm (5). Bij 14 fondsen is geen compensatie van toepassing of afgesproken, en bij 17 is de vorm nog onbekend. De financieringsbron is waar bekend vooral het fondsvermogen (27) of het kringvermogen (5); bij bijna de helft is de bron nog niet openbaar bevestigd. Van de 124 afspraken zijn er 16 gerealiseerd en 108 voorgenomen.
Bron: PensioenNetwerk.nl, compensatieafspraken (compensation_arrangements.csv, geraadpleegd oktober 2026). De dataset bevat de compensatievorm, financieringsbron, duur, stadium en doelgroep per fonds en kring.
Vijf fondsen en kringen in het register schorten de individuele waardeoverdracht tijdelijk op rond het invaarmoment. De verwerking is aangehouden totdat beide betrokken uitvoerders dezelfde pensioenregels toepassen of de transitie is afgerond. Dat raakt werknemers die vlak voor of na het invaarmoment van baan wisselen en hun opgebouwde pensioen willen meenemen: zij moeten wachten tot de overdracht weer wordt verwerkt.
Bron: PensioenNetwerk.nl, waardeoverdracht-beperkingen (transfer_restrictions.csv, geraadpleegd oktober 2026). 5 records met tijdelijke opschorting van de individuele waardeoverdracht.
In het Nederlandse debat domineert de marktwaarde-dekkingsgraad. Mercer kijkt echter naar structurele houdbaarheid, een breder en stabieler begrip. Een tijdelijk lage dekkingsgraad na een renteschok zegt weinig over de gezondheid van het stelsel op lange termijn.
Meet het vermogen tegen de verplichtingen op basis van de actuele marktrente. Deze maatstaf is hoog volatiel en kan in één kwartaal tien tot twintig procentpunt bewegen. Het is een momentopname, geen trend. De gemiddelde dekkingsgraad steeg in 2025 van circa 116 naar 129 procent.
Kijkt naar demografie, regelgeving, governance, beleggingsmix en langetermijnverwachtingen. Deze score beweegt langzaam en weerspiegelt de fundamenten, niet het marktsentiment. Nederland scoort op houdbaarheid 83,5, structureel hoog, ongeacht de kwartaalcijfers.
De Wtp vervangt het oude uitkeringsstelsel door een premiestructuur met solidariteitsreserves. Per Mercer-dimensie pakt die verschuiving verschillend uit.
| Dimensie | Oud stelsel (DB) | Nieuw stelsel (Wtp/DC) | Effect op Mercer |
|---|---|---|---|
| Toereikendheid | Gegarandeerde uitkering, hoge zekerheid voor de deelnemer | Beleggingsresultaat bepaalt de uitkering, individueel risico stijgt | Negatief, minder garantie en meer marktrisico |
| Houdbaarheid | Werkgever of sector draagt risico, bij tekorten kortingen of premieverhogingen | Risico verschuift naar de deelnemer, het fonds heeft minder verplichtingen | Positief, minder systeemrisico |
| Integriteit | Complexe regels en ondoorzichtige indexatie | Meer transparantie, individueel vermogen zichtbaar | Positief, betere governance |
| Solidariteit | Generatie- en inkomensoverdrachten ingebouwd in de opbouw | Solidariteitsreserve apart, expliciete keuzes nodig | Gemengd, afhankelijk van de uitwerking |
Kwalitatieve duiding op basis van de Mercer CFA Global Pension Index en de kenmerken van het Wtp-kader. Dit is een analytische inschatting van de richting per dimensie, geen numerieke herberekening van de index. Het rapport heet sinds 2026 Marsh CFA Institute Global Pension Index (Mercer opereert onder de merknaam Marsh).
Om het verwijt van een "casinopensioen" te toetsen legde Sprenkels het nieuwe stelsel langs de historische werkelijkheid. Twee fictieve gemiddelde fondsen, SPR onder de Wtp en FTK onder het oude stelsel, gaan beide in 1925 van start met een dekkingsgraad van 117%. De vraag is of het nieuwe pensioen de stormen van een eeuw zou doorstaan, van de Grote Depressie en de Tweede Wereldoorlog tot de olie-, dot-com-, krediet-, euro- en coronacrisis.
Twee oorzaken verklaren het verschil bij gelijke premie. In het nieuwe stelsel wordt in de opbouwfase meer beleggingsrisico genomen, vooral voor jongere deelnemers, wat op termijn naar verwachting meer rendement geeft. Daarnaast vallen buffers vrij: de solidariteitsreserve kan veel kleiner zijn dan de collectieve buffer in het oude stelsel, en minder geld in de buffer betekent meer geld naar pensioen.
Er is een keerzijde. De verschillen tussen generaties zijn groter. Wie rond 2000 met pensioen ging had reëel ongeveer twee keer zoveel pensioen als wie in de jaren vijftig aan de beurt was, en de huidige gepensioneerden zitten ongeveer 28% onder die piek. Het oude stelsel indexeert gemiddeld ongeveer een procentpunt per jaar meer, al maakt de hogere startuitkering in het nieuwe stelsel dat in de meeste jaren ruim goed. In de laatste tien jaar is dat beeld juist omgekeerd.
Dit is een gestileerde doorrekening van gemiddelde fondsen met specifieke beleidskeuzes, geen voorspelling en geen garantie. De uitkomsten hangen af van de gekozen lifecycle, de renteafdekking en de inzet van de solidariteitsreserve. Andere keuzes geven andere uitkomsten, en in perioden met hoge inflatie presteert het oude stelsel juist beter. Het macrolanglevenrisico is in de analyse buiten beschouwing gelaten.
Bron: Sprenkels, white paper "100 jaar in het nieuwe stelsel" (december 2025). Twee fictieve fondsen op basis van het gemiddelde beleid van 75 fondsen uit de Wtp-database van Sprenkels. SPR-lifecycle van 100% zakelijke waarden voor jongeren naar 40% vanaf 68 jaar, renteafdekking van 10% naar 90%, solidariteitsreserve gevuld tot maximaal 8% met een spending rule van een derde, schokken gespreid over drie jaar. FTK met 50% zakelijke waarden en 50% renteafdekking. Rendementen op basis van de MSCI World gehedged naar euro vanaf 1970 en de S&P 500 daarvoor, rente op de DNB-rentetermijnstructuur vanaf 2000 en Nederlandse staatsobligaties daarvoor, en de Nederlandse consumentenprijsinflatie. Bedragen zijn reëel, gecorrigeerd voor inflatie.
Elke stip is één land. De verticale as toont het Mercer-oordeel over de kwaliteit van het stelsel,
| Land | Verticale waarde | Horizontale waarde |
|---|
De Mercer-scores komen uit de volledige 2025-index (primaire bron). Het vermogen per inwoner is hier alleen opgenomen waar het geverifieerd kon worden, wat betekent dat de samenhang over minder landen wordt berekend dan in een dashboard dat de volledige OECD-vermogensreeks per land inleest. De getoonde correlatie is daarom beschrijvend en gevoelig voor de landenselectie. Ze bevestigt een patroon, maar is geen getoetste conclusie: het aantal waarnemingen is te klein voor een harde statistische uitspraak.
Meer vermogen gaat gemiddeld samen met een hogere Mercer-score, maar het verband is los. Twee mechanismen verklaren dat, en beide zijn zichtbaar in de eigen data van dit dashboard.
Het eerste is een definitiekwestie. De OECD telt bij het vermogen alleen de pensioenfondsen, niet de verzekerings- en staatsregelingen die in sommige landen domineren. Noorwegen komt daardoor uit op ongeveer 15 procent van het bbp aan fondsvermogen, terwijl het stelsel met een Mercer-score van 76,0 in de kopgroep staat. Het lage vermogenscijfer onderschat hier de werkelijke dekking en drukt de gemeten samenhang omlaag.
Het tweede is dat vermogen een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde is. Singapore combineert 82 procent van het bbp met een hoge totaalscore, gedragen door de integriteitspijler (90,4). Israël staat met 69 procent van het bbp eveneens bovenaan, gedragen door houdbaarheid en integriteit. Governance en regelgeving tellen dus zwaar mee naast de omvang van het vermogen.
Binnen de kopgroep is het verband zichtbaar strakker dan over de volledige set, doordat de storende gevallen daar grotendeels wegvallen. Dat blijft een beschrijvende waarneming. Het aantal landen met een geverifieerd vermogenscijfer is klein, zeker binnen de top tien, en te beperkt voor een harde statistische uitspraak.
Alle 55 landen met een volledige Mercer-score uit de primaire bron. Vermogen per inwoner en huishoudschuld zijn alleen ingevuld waar geverifieerd; ontbrekende waarden staan als streepje. Klik op een kolomkop om te sorteren.
| #↕ | Land↕ | Mercer↕ | Toereik.↕ | Houdb.↕ | Integr.↕ | % bbp↕ | Per inwoner ($)↕ | Schuld↕ | Nettoschuld↕ |
|---|
Schuld en nettoschuld als percentage van het netto beschikbaar inkomen. Nettoschuld = brutoschuld min pensioenvermogen, omgerekend van % bbp naar % inkomen met een factor van circa 0,60 (benadering; de inkomensquote verschilt per land).
Het rapport vergelijkt 48 stelsels tussen 2024 en 2025. Gemiddeld steeg de totaalscore met 1,2 punt, met een stijging op elke deelindex. Onderstaande grafiek toont per land de verandering. Groen is een stijging, goud een daling. Kies een deelindex om de ontwikkeling per dimensie te bekijken.
| Land | 2024 | 2025 | Verandering |
|---|
Koeweit, Oman, Namibië en Panama zijn nieuw in de index van 2025 en hebben geen vergelijkingscijfer voor 2024. Bron: Mercer CFA Institute Global Pension Index 2025, Figuur 5.
Mercer gebruikt het pensioenvermogen als percentage van het bbp als bouwsteen voor de deelindex houdbaarheid (sustainability, S2). Het ruwe percentage wordt niet lineair overgenomen, maar via een afvlakkende curve omgezet in een score van 0 tot 100. Daardoor levert extra vermogen bovenop een al hoog niveau steeds minder extra punten op.
Het pensioenvermogen als percentage van het bbp, uit de OECD-data. Voor Nederland circa 151 procent.
De curve stijgt snel bij lage waarden en vlakt af naar boven. Boven een bepaald niveau telt extra vermogen nauwelijks nog mee.
De uitkomst voedt samen met demografie, groei en dekking de houdbaarheids-deelindex. Die weegt voor 35 procent mee in de totaalscore.
De afvlakking verklaart waarom een land met extreem hoog vermogen niet automatisch de hoogste houdbaarheidsscore haalt, en waarom Nederland zijn koppositie vooral dankt aan een consistent hoge score op alle drie de deelindices, niet aan één uitschieter. De curve is een illustratie van het principe; Mercer publiceert de exacte functieparameters niet.
Deze sectie gaat niet over de pensioenfondsen, maar over de private balans van huishoudens. De brutoschuld, vooral hypotheken, oogt in Nederland hoog. Maar zet men het opgebouwde pensioenvermogen als tegenpost tegenover die schuld, dan kantelt het beeld. Groen betekent dat het pensioenvermogen de schuld overtreft: het huishouden is netto vermogend.
Op brutoschuld staat Nederland bijna onderaan (plaats 18 van de 20 landen in deze dataset). Na aftrek van het pensioenvermogen schuift Nederland naar plaats 8, met een negatieve nettoschuld: het opgebouwde pensioenvermogen overtreft de schuld. Deze rangschikking geldt binnen de beschikbare 20 landen, niet als absolute wereldwijde positie. De kwetsbaarheid zit in de liquiditeit bij een renteschok, niet in het opgebouwde vermogen zelf.
Bron: UBS Global Wealth Report 2024, OECD (huishoudschuld % netto beschikbaar inkomen), OECD Global Pension Statistics, CBS, DNB, Mercer CFA Global Pension Index 2025. Nettoschuld is een benadering wegens de omrekening tussen bbp en inkomen.
De verplichtingen van een pensioenfonds hebben een lange looptijd, gemiddeld 18 tot 24 jaar. Dit betekent dat het pensioen dat het fonds moet uitkeren gemiddeld pas over ongeveer twintig jaar in de toekomst wordt betaald. Doordat die uitkeringen zo ver vooruit liggen, werkt een renteverandering sterk door in de waarde die het fonds er vandaag voor opzij moet zetten. Dat verklaart de paradox van 2025: ondanks tegenvallende rendementen konden veel fondsen tóch verhogen, omdat een stijgende rente de verplichtingen sneller liet dalen dan de bezittingen.
Een Mercer-score of een OECD-vermogenscijfer laat niet zien dat de gerapporteerde waarde van een fonds sterk meebeweegt met de rente. Een nominale daling van het vermogen kan samengaan met een verbeterde financiële positie, zodra de verplichtingen nog harder dalen. Deze hefboom is de kern van het Nederlandse renteafdekkingsbeleid en verklaart een groot deel van de beweeglijkheid die onder de Wtp toeneemt.
Vereenvoudigde benadering op basis van de eerste-orde duration-relatie: waardeverandering ≈ − duration × renteverandering. Convexiteit en tweede-orde-effecten zijn buiten beschouwing gelaten. De uitkomst is illustratief, geen fondsspecifieke berekening.
De duration-hefboom is geen theorie. De dertien fondsen met meer dan 100.000 deelnemers, samen goed voor het overgrote deel van alle deelnemers, hielden hun beleidsdekkingsgraad door 2023 en 2024 binnen een smalle band terwijl de marktrente beweeglijk was. Het laagste fonds begon net onder de honderd procent en klom op naar ruim daarboven, het hoogste liep verder op richting 135 procent. Wegzakken deed geen enkel groot fonds.
| Fonds | 2023 Q1 | 2024 Q4 |
|---|
De beleidsdekkingsgraad is een voortschrijdend twaalfmaandsgemiddelde en verloopt daardoor vlakker dan de actuele dekkingsgraad. Die vlakheid is hier het punt. Doordat een renteverandering zowel de bezittingen als de verplichtingen raakt, blijft de financiële positie overeind terwijl het nominale vermogen fluctueert. Het is dezelfde hefboom die verklaart waarom veel fondsen in 2025 konden verhogen ondanks tegenvallende rendementen.
Bron: De Nederlandsche Bank, beleidsdekkingsgraden per kwartaal over 2023 en 2024, samengesteld in de Deloitte Outlook Nederlandse pensioen- en verzekeringsmarkt 2025. De beleidsdekkingsgraad is het gemiddelde over de voorafgaande twaalf maanden en wordt alleen berekend voor fondsen met een uitkeringsovereenkomst. Getoond zijn alle dertien fondsen met meer dan 100.000 deelnemers.
De hefboom hierboven gaat over waardering. Een renteverandering verschuift de contante waarde van de verplichtingen en werkt door in de dekkingsgraad, maar dat effect is in beginsel omkeerbaar. Het zegt weinig over wat een deelnemer uiteindelijk aan pensioen overhoudt.
Een structureel lager verwacht rendement op de beleggingen is een ander verhaal. Dat verlaagt de haalbare uitkering wel degelijk, en juist bij jongere cohorten met een lange horizon telt het zwaar. Onder de Wtp verdwijnen de rekenrente en de dekkingsgraad voor premieregelingen, maar het rendement op de ingelegde premie blijft de bepalende factor voor de hoogte van het pensioen. De geruststelling dat een lagere rente geen zwakker stelsel betekent, geldt daarom voor de waardering en niet voor een blijvend lager rendementsniveau.
De AFM baseert Sector in beeld pensioenen 2026 op de Toezichtrapportage tweedepijlerpensioen, die alle Nederlandse pensioenfondsen, pensioenverzekeraars en premiepensioeninstellingen jaarlijks aanleveren. De cijfers gelden per 31 december 2024 en zijn niet herleidbaar tot individuele uitvoerders. De editie 2026 legt de nadruk op de premieregelingen van de eerste deelnemers in het nieuwe stelsel, de groep met een klein pensioen, de klachtendata en de beleggingsvrijheid.
Het aantal uitvoerders daalt gestaag, van 172 in 2022 naar 150 in 2024. Vooral ondernemingspensioenfondsen verdwijnen: hun aantal daalde van 97 naar 78. De uitkeringsovereenkomst blijft de norm, maar de premieovereenkomst wint terrein.
De verlaging van de minimale startleeftijd van 21 naar 18 jaar per 1 januari 2024 vergrootte de groep die pensioen opbouwt. Bij de bedrijfstakpensioenfondsen kwamen er in 2024 ruim 286 duizend actieve deelnemers bij, waarvan 247 duizend bij de tien grootste. In waarde ligt het beeld gescheiden naar uitvoerder. Van de opbouwwaarde in uitkeringsovereenkomsten beheren pensioenfondsen ruim negentig procent, terwijl verzekeraars en PPI's samen bijna negentig procent van de opbouwwaarde in premieovereenkomsten voor hun rekening nemen. De nieuwe stijl premieovereenkomst was eind 2024 nog klein. Ruim 55 duizend deelnemers bouwden op dat moment bij een verzekeraar of PPI al pensioen op in een aan de Wtp aangepaste regeling.
In een premieregeling staat de premie vast en hangt de uitkering af van rendement en rente. Daardoor laat de premiehoogte zich eenvoudiger vergelijken dan bij een uitkeringsregeling met herverdeling. De AFM constateert grote verschillen. Gemiddeld benut de pensioenregeling 42 procent van de fiscale ruimte voor de 1,8 miljoen deelnemers in premieregelingen, equivalent aan een vlakke premie van net geen 13 procent.
De vervangingsratio is het pensioeninkomen als percentage van het middelloon, inclusief AOW. Het uitgangspunt van de AFM is dat een vlakke premie van 30 procent bij een rente van 1,5 procent leidt tot 75 procent van het middelloon, het niveau dat doorgaans als toereikend geldt. Bij een lagere premie daalt de ratio richting het AOW-niveau van circa 32 procent. Een vlakke premie van 10 procent, die veel voorkomt, komt bij 1,5 procent rente uit op 46 procent van het middelloon en bij 3 procent rente op 58 procent. Bij een premie van 5 procent resulteert zelfs het gunstigere scenario met 3 procent rente in 45 procent, waarvan ruim twee derde uit de AOW bestaat.
De AFM ziet het risico dat deelnemers met een lage opbouw denken dat hun aanvullend pensioen goed geregeld is, terwijl de opbouw beperkt blijft. De hoogte van de vlakke premie en de rentestand bepalen samen in sterke mate het perspectief. De boodschap voor de transitie is dat een realistische verwachting alleen ontstaat met tijdige en duidelijke informatie, zodat deelnemers desgewenst aanvullende voorzieningen kunnen treffen.
De AFM merkt het nabestaandenpensioen aan als een van de belangrijkste aandachtspunten. Een deel van de deelnemers loopt het risico dat de partner bij overlijden zonder dekking komt te zitten, vaak zonder dat de deelnemer zich daarvan bewust is.
Tussen 2022 en 2024 halveerde het aandeel deelnemers in premieovereenkomsten zonder partnerpensioendekking, van 19 naar 9 procent. Toch verschilt de dekking in het nieuwe stelsel sterk. Voor de meerderheid van de deelnemers is de dekking lager dan 30 procent van het pensioengevend salaris, en voor 10 procent zelfs 20 procent of minder. Bij een partnerpensioen op risicobasis vervalt de dekking zodra het dienstverband eindigt. Overlijdt de deelnemer daarna, dan ontvangt de partner geen uitkering uit die regeling.
In het nieuwe stelsel wordt het partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum standaard op risicobasis vormgegeven, met een maximale uitkering van 50 procent van het pensioengevend salaris. De AFM verwacht dat de groep die bij einde dienstverband financieel kwetsbaar wordt daardoor kan toenemen, en legt de nadruk op de informatie in stopbrieven en op de keuzebegeleiding bij vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen.
Een meerderheid van de deelnemers in premieregelingen mag beleggingskeuzes maken, maar weinigen doen dat ook. Vooral jongeren blijven achter, terwijl juist zij door hun lange horizon het meest baat hebben bij een passend profiel.
Waar beleggingsvrijheid bestaat, gaat het meestal om zowel profielbeleggen als opt-out beleggen. Toch wijkt gemiddeld slechts 15 procent van de deelnemers af van het standaardprofiel en gebruikt 4 procent de opt-out om zelf een beleggingsmix samen te stellen. Het gebruik loopt sterk op met de leeftijd. Van de jongste groep (18 tot 24 jaar) wijkt 3 procent af van de default, tegen 18 procent bij de deelnemers van 45 jaar en ouder. Bij de opt-out is het leeftijdsverschil nog groter, want tot 40 jaar maakt vrijwel niemand er gebruik van.
De AFM roept uitvoerders op te onderzoeken waarom deelnemers wel of niet kiezen. Een keuze die vrijwel niet wordt gebruikt, past mogelijk niet bij de populatie of wordt onvoldoende begeleid. Voor de transitie betekent dit dat het aanbieden van beleggingsvrijheid alleen waarde heeft in combinatie met tijdige, duidelijke en evenwichtige keuzebegeleiding.
Sinds 1 juli 2023 gelden wettelijke eisen aan de klachtenprocedure. 2024 is het eerste volledige jaar waarover de AFM verplicht aangeleverde klachtendata heeft van pensioenfondsen en PPI's.
In 2024 registreerden pensioenfondsen en PPI's samen ruim 23 duizend klachten. Daarvan kwam 99 procent van deelnemers van pensioenfondsen en 1 procent van PPI's. Pensioenverzekeraars rapporteren apart en vallen buiten deze telling. De meeste klachten gingen over pensioenberekening en -betaling, de financiële situatie van het fonds en de informatieverstrekking, samen bijna twee derde van het totaal. Van de bijna 22 duizend afgehandelde klachten is ongeveer 60 procent afgewezen.
De afhandeling verloopt doorgaans snel. 65 procent van de klachten was binnen één dag afgehandeld, 90 procent binnen twee weken en 98 procent binnen twee maanden. Klachten over de financiële situatie en de transitie worden in meer dan 90 procent van de gevallen afgewezen, maar kunnen volgens de AFM wel wijzen op hiaten in de transitiecommunicatie.
Het aandeel uitvoerders met een vastgesteld correctiebeleid steeg van 29 procent in 2019 naar 90 procent in 2023. Dat cijfer is in de editie 2026 niet geactualiseerd. Een helder en publiek correctiebeleid draagt bij aan een consistente afhandeling van te veel of te weinig uitgekeerd pensioen en aan het vertrouwen van de deelnemer.
Onder de hoofdlijnen liggen twee patronen die voor de regelingkeuze en de communicatie van belang zijn: de premiesystematiek in de opbouwfase en de waarde die bij expiratie vrijvalt.
Van de circa 2,1 miljoen actieve deelnemers in een premieovereenkomst kende eind 2024 het merendeel nog een leeftijdsafhankelijke staffel: circa 1,5 miljoen tegenover ruim een half miljoen met een vaste, vlakke premie. Een staffel leidt tot een degressieve opbouw die met het klimmen van de leeftijd nadeliger uitpakt. Onder de Wtp geldt een gelijke maximumpremie voor alle leeftijden.
Bij expiratie wordt het merendeel van de pensioenen binnen een jaar opgeëist. De gemiddelde waarde van een opgeëist pensioen bedroeg in 2024 circa € 145.000 bij een uitkeringsovereenkomst en circa € 55.000 bij een premieovereenkomst. Afgekochte pensioenen (circa € 4.000) en niet-opgeëiste pensioenen (€ 21.000 tot € 28.000) zijn gemiddeld veel kleiner. Bij premieovereenkomsten hebben de extern overgedragen pensioenen met circa € 72.000 juist de hoogste gemiddelde waarde, wat erop wijst dat vooral deelnemers met grotere vermogens hun shoprecht benutten.
De bijlage brengt per type overeenkomst in beeld welke keuzes deelnemers op de pensioendatum hebben en in welke mate zij die benutten. Het patroon is telkens hetzelfde. Het recht om te kiezen is ruim aanwezig, het feitelijke gebruik blijft beperkt en volgt sterk de default die de uitvoerder hanteert.
Het feitelijke gebruik ligt lager en verschilt sterk per uitvoerder. Van de deelnemers die in 2024 met pensioen gingen, vervroegde 32 procent bij een pensioenfonds tegen 6 procent bij een verzekeraar. Een verklaring die de AFM aandraagt, is dat fondsen aanspraken vaak administratief naar 68 jaar hebben omgezet en verzekeraars niet, waardoor het vervroegen naar de AOW-leeftijd bij fondsen vaker voorkomt.
Variëren in de uitkeringshoogte kon voor circa 250 duizend deelnemers die in 2024 met pensioen gingen. Daarvan liet 203 duizend de uitkering ongemoeid. 45 duizend koos een hoog-laagconstructie met de eerste jaren een hogere uitkering, en 1 duizend koos een laag-hoogconstructie.
Van de 6,1 miljoen actieve deelnemers heeft 5,7 miljoen een partnerpensioen en 0,4 miljoen niet. De dekking staat overwegend op opbouwbasis (5,19 miljoen) en voor een kleiner deel op risicobasis (0,47 miljoen). Voor 88 procent van de deelnemers zit een premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid in de regeling.
Deelnemers sorteren tijdens de opbouwfase al voor op een vaste of variabele uitkering, doorgaans vijftien jaar voor de pensioendatum. De voorkeur ligt overwegend bij een vaste uitkering, met 85 procent bij fondsen, 91 procent bij PPI's en 97 procent bij verzekeraars. Van hun eigen default voorsorteerkeuze wijkt slechts 2 tot 9 procent af.
Variëren in de uitkeringshoogte kon voor circa 25 duizend deelnemers die in 2024 met pensioen gingen. Daarvan liet 19 duizend de uitkering ongemoeid en koos 6 duizend een hoog-laagconstructie. De laag-hoogconstructie komt vrijwel niet voor. Bij verzekeraars is het aantal deelnemers dat de ingang vervroegt vaak niet vast te stellen, doordat de opbouw- en uitkeringsfase administratief gescheiden zijn.
Een partnerpensioen is voor de meeste deelnemers geregeld, met 77 procent van de registraties bij fondsen, 96 procent bij verzekeraars en 99 procent bij PPI's. De premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid zit in 88 procent van de regelingen. Bij regelingen met een premiestaffel is de premievrijstelling voor 1,2 miljoen registraties staffelvolgend en voor 0,3 miljoen niet, wat bepaalt of de opbouw tijdens arbeidsongeschiktheid met de leeftijd blijft meegroeien.
Over de hele bijlage heen is het beeld dat keuzemogelijkheden ruim worden aangeboden, maar dat het merendeel van de deelnemers de door de uitvoerder gekozen default volgt. De inrichting van die default en de kwaliteit van de keuzebegeleiding bepalen daardoor in sterke mate de uitkomst voor de deelnemer. Waar een uitvoerder maar één uitkeringsvorm aanbiedt, kan de deelnemer via het shoprecht elders een uitkering van het andere type inkopen. Voor de transitie betekent dit dat de waarde van keuzevrijheid staat of valt met tijdige, duidelijke en evenwichtige informatie.
Bron: AFM, Sector in beeld pensioenen 2026 (mei 2026), op basis van de Toezichtrapportage tweedepijlerpensioen. Peildatum 31 december 2024 (rapportagejaar 2024), niet herleidbaar tot individuele uitvoerders. De klachtendata betreffen pensioenfondsen en PPI's; pensioenverzekeraars rapporteren apart via de Klachtenuitvraag verzekeraars en vallen buiten deze telling. Het correctiebeleid (29 naar 90 procent) komt uit de editie 2025 (peildatum 2023) en is in de editie 2026 niet geactualiseerd. De wettelijke afkoopgrens bedroeg in 2024 € 592,51 per jaar. De flexibiliteits- en keuzegegevens komen uit de statistische bijlage (hoofdstukken 5 en 6) van dezelfde publicatie, eveneens per 31 december 2024, met de aantallen afgerond op de eenheid die de AFM hanteert. Deze AFM-data kan een andere peildatum hebben dan de DNB- en IG&H-cijfers elders in dit dashboard.
Pensioenfondsen dekken de rentegevoeligheid van hun verplichtingen grotendeels af met renteswaps in plaats van met obligaties. Dat verlaagt het renterisico, maar introduceert een liquiditeitsrisico dat in dit dashboard nog nauwelijks in beeld was. Bij een stijgende rente moeten fondsen onderpand bijstorten, en die margin calls kunnen zo groot zijn dat fondsen veilige staatsobligaties gedwongen moeten verkopen. Deze sectie vat een studie van DNB-onderzoekers samen die dit mechanisme voor de Nederlandse sector kwantificeert. De data loopt tot en met 2022, onder het oude FTK-stelsel, maar het mechanisme blijft onder de Wtp bestaan.
Een fonds ontvangt de vaste rente in een langlopende renteswap en dekt daarmee de rentegevoeligheid van zijn verplichtingen af, zonder langlopende obligaties te hoeven kopen. Ongeveer 60% van de portefeuilleduratie komt uit swaps in plaats van uit obligaties. Als de rente stijgt, daalt de marktwaarde van die swaps en moet het fonds onderpand bijstorten, doorgaans in kas. Overtreft die margin call de kasbuffer, dan moet het fonds bezittingen verkopen op een moment dat de koersen juist onder druk staan.
Nederlandse fondsen vormen hiervoor een ideale casus, omdat de wet strategische leverage via repo's verbiedt. Het liquiditeitsrisico komt daardoor zuiver uit de derivatenpositie, niet uit geleend geld.
De schaal blijkt uit de marktwaarde van de swapportefeuille, die tussen eind 2021 en het derde kwartaal van 2022 daalde van €58,2 miljard naar min €81,9 miljard, terwijl de twintigjaars swaprente met 2,3 procentpunt steeg. Per procentpunt rentebeweging verandert de swapportefeuille daarmee met ongeveer €60,9 miljard, grofweg 3% van het totale Nederlandse pensioenvermogen.
De studie identificeert acht maanden met scherpe rentestijgingen: mei en juni 2015, maart 2020, en april, juni, augustus, september en december 2022. In die maanden bedroeg de gemiddelde margin call 3% van het vermogen, oplopend tot boven 6% bij een tiende van de fondsen. Voor 62% van de fondsen was de margin call groter dan de beschikbare liquiditeit. En in 72% van de gevallen woog de margin call zwaarder dan de dekkingsgraadwinst die de rentestijging zelf oplevert.
Kasachtige buffers bieden onvoldoende soelaas. Geldmarktfondsen vormen bij het mediane fonds minder dan 1,5% van het vermogen. En omdat aandelen tijdens rentepieken juist dalen, gemiddeld 6,4% bij de MSCI en 3,2% bij Europese investment-grade obligaties, valt daar ook geen buffer aan te ontlenen. Fondsen met een lagere dekkingsgraad gebruiken meer swaps en houden minder kas, en lopen daardoor het meeste liquiditeitsrisico.
Fondsen verkopen hun veiligste en meest liquide stukken: AAA-staatsobligaties uit Nederland en Duitsland, de enige euro-staatsobligaties met een triple-A van alle grote bureaus in deze periode, met looptijden tussen 1 en 7 jaar. Ze verkopen geen illiquide obligaties en geen kortlopende, kasachtige stukken. Dat patroon wijst op liquiditeitsverkoop om aan de margin call te voldoen, niet op het bijsturen van de duratie, wat juist het verkopen van langlopende obligaties zou impliceren.
Omdat pensioenfondsen grote spelers zijn in de veilige euro-staatsobligatiemarkt, drukken die gedwongen verkopen de koersen. Obligaties die sterker aan dit margin-call-risico blootstaan, leverden tijdens rentepieken 11 basispunten minder rendement op bij een toename van het risico met een standaarddeviatie, ongeveer 17% van het gemiddelde rendement in die maanden.
Op marktniveau schatten de auteurs dat 1% instroom in de veilige euro-obligaties met middellange looptijd de driejaarsrente met circa 17 basispunten verlaagt. In augustus 2022 verkochten de fondsen 0,61% van het uitstaande bedrag, goed voor 10,4 van de 87 basispunten rentestijging in die maand, oftewel ongeveer 12%. De koersdruk keerde binnen circa 50 dagen weer om, sneller dan bij Amerikaanse aandelen of bedrijfsobligaties. Dat bevestigt dat het om liquiditeitsverkopen gaat en niet om verkopen op basis van informatie.
De onderzochte periode valt onder het oude FTK-stelsel. Onder de Wtp verdwijnt de collectieve FTK-buffer, maar de rentehedge en daarmee het margin-call-mechanisme blijven bestaan. Fondsen blijven renteswaps gebruiken, en de solidariteits- of risicodelingsreserve is doorgaans kleiner dan de oude buffer. Juist daarom voeren DNB en AFM sinds 2024 liquiditeitsstresstesten uit op de derivatenposities van pensioenfondsen. De auteurs bepleiten geen rem op het swapgebruik zelf, maar liquiditeitsstresstesten en een expliciete liquiditeits- of kapitaaleis voor dit risico, zodat fondsen niet in een situatie belanden waarin de margin call hun kaspositie ver overtreft.
Het risico speelt breder dan Nederland. Britse fondsen beleggen veel minder in aandelen, 10 tot 15% tegen 33% bij Nederlandse fondsen, en de gepoolde LDI-structuur versterkte de gedwongen verkopen tijdens de Britse gilt-crisis van najaar 2022. De Nederlandse data laat zien dat dit liquiditeitsrisico ook zonder die structuurfrictie ontstaat, puur door de combinatie van de rentehedge met verplicht onderpand in kas.
Denemarken staat bovenaan in de Mercer-index, en het verplichte fonds ATP laat dezelfde spanning zien. ATP dekt zijn gegarandeerde verplichtingen grotendeels af met renteswaps in plaats van fysieke obligaties, en werkt met hefboom, bruto ongeveer 2,4 keer en netto ongeveer 2,0 keer het vermogen. Eind 2025 werd circa driekwart van de liquide marktposities synthetisch aangehouden. Net als in de Nederlandse situatie loopt het afdekken dus via derivaten met onderpand, met de bijbehorende procyclische druk. In de stressjaren 2020 tot en met 2023 hield de treasury- en liquiditeitsopzet gedwongen deleveraging wel af.
Een onafhankelijke commissie (Andrew Ang, Jesper Berg en Magnus Dahlquist) evalueerde de strategie en publiceerde op 31 augustus 2026. De strategie wordt goed onderbouwd genoemd, maar noodzakelijkerwijs complex, en houdbaar op het huidige risiconiveau, al is dat risico hoog: een vereist rendement van circa 17 procent op de bonusbuffer en een volatiliteitsdoel van circa 30 procent in de beleggingsportefeuille. De commissie beveelt aan de hefboom te blijven gebruiken maar transparanter te rapporteren en te toetsen op onderpandstress, een sterker rendementsraamwerk te hanteren, en vooral helderder te communiceren, met het geleverde pensioen en het bijbehorende risico als kernmaatstaf in plaats van het volatiele beleggingsrendement. Ze waarschuwt voor reputatierisico uit het hoge vereiste rendement, de complexiteit en de in 2023 ingevoerde aanvullende hedgeportefeuille.
Bron: Review of ATP's Investment Strategy (Andrew Ang, Jesper Berg en Magnus Dahlquist, 31 augustus 2026), gepubliceerd door ATP. De cijfers betreffen het Deense ATP-stelsel en dienen ter internationale vergelijking, niet als Nederlandse sectordata.
Bron: Jansen, Klingler, Ranaldo en Duijm, "Pension Liquidity Risk", The Review of Financial Studies (2026). Gebaseerd op DNB-toezichtdata over 255 Nederlandse pensioenfondsen, 2012-2022. Open Access onder Creative Commons Attribution 4.0, met bronvermelding vrij herbruikbaar. De cijfers betreffen de periode onder het FTK-stelsel; het beschreven mechanisme blijft onder de Wtp bestaan. Peildata kunnen afwijken van de overige bronnen in dit dashboard.
De fondsentabel verderop toont 178 pensioenfondsen, maar een deel van de tweedepijlermarkt loopt via verzekeraars, premiepensioeninstellingen (PPI's) en algemene pensioenfondsen (APF). Dat segment is in omvang bescheiden, maar groeit het hardst en kent andere kenmerken op regelingniveau. Deze sectie brengt dat deel van de uitvoering apart in beeld, met de marktomvang, het rendement van de neutrale lifecycle en de duurzaamheid van de betrokken verzekeraars en PPI's.
Bedrijfstakpensioenfondsen domineren het belegd vermogen. Verzekeraars, PPI's en APF-kringen zijn samen klein, maar groeiden in 2024 duidelijk harder dan de markt. Dat verklaart de geleidelijke herpositionering van de sector.
De solidaire premieregeling (SPR) wordt de dominante contractvorm, maar juist bij verzekeraars en PPI's ligt het accent op de flexibele premieregeling (FPR). Daardoor blijft een aanzienlijk deel van de markt buiten het SPR-beeld dat de fondsen bepalen.
Circa 81% van het pensioenvermogen gaat naar een SPR. Verplichte bedrijfstakfondsen kiezen vrijwel allemaal voor SPR, terwijl verzekeraars en PPI's uitsluitend FPR of een premie-uitkeringsovereenkomst uitvoeren. Over de hele markt heen valt daardoor ongeveer één op de drie actieve deelnemers onder een FPR-regeling. Het FPR-vermogen verdubbelt naar verwachting van 113 naar 221 miljard euro, bij fondsen zelfs een vertienvoudiging.
Ongeveer 128 miljard euro blijft in uitkeringsovereenkomsten. Het gaat vooral om slapers en gepensioneerden, en daarnaast om actieven voor zover zij vóór de Wtp-transitie DB-aanspraken hebben opgebouwd in een eindloon- of middelloonregeling met gegarandeerde uitkering. Zestien fondsen varen niet in en houden circa 23 miljard euro aan DB-aanspraken. In de vrije werkgeversmarkt houden verzekeraars met 105 miljard euro aan DB-verplichtingen zelfs meer DB dan de 101 miljard euro die zij in DC beheren. De gegarandeerde vaste uitkering houdt daarmee een DB-karakter, maar wordt steeds meer een keuze voor de deelnemer.
Op regelingniveau wijken verzekeraars en PPI's stelselmatig af van pensioenfondsen, zowel in samenstelling van de portefeuille als in de keuzevrijheid die deelnemers krijgen.
Verzekeraars beheren in de opbouwfase ongeveer evenveel uitkerings- als premieovereenkomsten, met een hoog aandeel slapers van 83%. Hun gemiddelde omvang is groter dan die van fondsen: circa € 10,8 miljard per verzekeraar tegenover € 5,5 miljard per fonds. Van de waarde van lopende ouderdomspensioenen uit premieovereenkomsten zit 96% bij verzekeraars.
PPI's voeren uitsluitend premieovereenkomsten uit, mogen alleen een variabele uitkering aanbieden en zijn vrijwel geheel op de opbouwfase gericht. Slechts één PPI keert zelf pensioen uit. Deelnemers die een vaste uitkering wensen, kopen die via het shoprecht in bij een verzekeraar.
De keuzevrijheid ligt hoger dan bij fondsen. Bij verzekeraars en PPI's kunnen vrijwel alle deelnemers hun pensioen vervroegen of uitstellen, variëren in de uitkeringshoogte en gebruikmaken van beleggingsvrijheid, terwijl het merendeel van de fondsdeelnemers die keuzes niet heeft. In de praktijk blijft het gebruik van die keuzes bij alle uitvoerders beperkt: de ruime meerderheid volgt de standaardoptie.
Bron: IG&H Pensioen Marktmonitor 2025 (vermogen per uitvoerderstype ultimo 2024, verzekeraars naar pensioenverplichtingen ultimo 2023; SPR/FPR-verdeling naar stand 1 juli 2025 op basis van de Wtp Transitiemonitor) en AFM, Sector in beeld pensioenen 2026 (regelingkenmerken per 31 december 2024). Marktprognoses, zoals het verwachte FPR-vermogen, zijn ramingen van IG&H. De peildata verschillen per onderdeel. Verzekeraars, PPI's en APF-kringen vallen buiten de DNB-fondsentabel hierna en worden daarom apart getoond.
Bij een beschikbare premieregeling belegt de uitvoerder de premie via een lifecycle die het risico afbouwt richting de pensioendatum. Hieronder het gemiddelde netto rendement van zeven uitvoerders voor de neutrale variant van een 45-jarige deelnemer, over 2016 tot en met 2025. De verticale streep toont de bandbreedte tussen de laagst en hoogst renderende uitvoerder per jaar.
| Jaar | Gemiddelde | Laagste | Hoogste |
|---|
Zo leest u de grafiek. Elke staaf is het gemiddelde rendement van de zeven uitvoerders in dat jaar, met het getal erboven of eronder in procenten. De verticale streep is de bandbreedte tussen de uitvoerders: de bovenkant is de hoogste en de onderkant de laagste uitvoerder dat jaar. Hoe langer de streep, hoe groter het verschil tussen de uitvoerders.
| Kalenderjaar | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gemiddelde | 7,9 | 8,4 | −5,3 | 23,6 | 6,1 | 21,3 | −15,5 | 15,1 | 18,0 | 7,6 |
| Beste uitvoerder | 8,5 | 13,0 | −8,1 | 24,3 | 7,7 | 22,9 | −18,9 | 16,6 | 16,5 | 12,1 |
Alle waarden in procenten. Beste uitvoerder is de uitvoerder met het hoogste tienjaarsrendement, 8,6% per jaar (meetkundig). Dat is niet in elk jaar de hoogste.
Bron: publicaties van de afzonderlijke uitvoerders over hun lifecyclesamenstelling en rendement, eigen bewerking, juni 2026. Zeven uitvoerders in de neutrale (vaste) variant voor een 45-jarige in de opbouwfase: a.s.r. Cappital (single manager), Allianz, a.s.r. Doenpensioen, Nationale-Nederlanden (passief), a.s.r. Werknemerspensioen, Zwitserleven en BeFrank (passief). Rendementen zijn netto, na de werkelijke beleggingskosten (OCF+, grofweg 24 tot 47 basispunten). Het gemiddelde van de uitvoerders dient als maatstaf, geen synthetische index. Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.
De kostenratio, uitgedrukt als percentage van het belegde vermogen, gaat structureel ten koste van rendement. Als vuistregel kost een verschil van 0,10 procent over veertig jaar circa vier procent eindkapitaal. Voor onderlinge vergelijkbaarheid is de vergelijking beperkt tot passieve lifecycles.
Cijfers aangeleverd door de opsteller op basis van fondsbrochures en Bell Lifecycles 2025, niet onafhankelijk geverifieerd. Bell, Werk in uitvoering bij pensioenfondsen 2026 (uitvoeringskosten en rendementen over 2025, 167 jaarverslagen). De genoemde uitvoerders kunnen daarnaast actieve varianten aanbieden met een andere kostenstructuur.
In het rapport Lifecycle Pensioen 2025 over de rendementen van 2024 rapporteert Bell dat bij de standaard lifecycle jongere deelnemers, vooral door aandelen, een nettorendement tussen 15 en 22 procent behaalden, tegen 12 tot 17 procent in 2023. Richting de pensioendatum liep dat terug naar gemiddeld 7 procent, doordat in die fase meer in obligaties wordt belegd. Door een lichte daling van de marktrente steeg het pensioen-inkooptarief licht, waardoor het in uitzicht gestelde pensioen vlak voor de pensioendatum iets minder steeg dan de rendementen doen vermoeden.
Bij lifecycles die voorsorteren op een variabel pensioen, oftewel doorbeleggen, wordt richting de pensioendatum meer risico genomen. Dat leverde in 2024 voor oudere deelnemers gemiddeld 3 procentpunt meer rendement op. Deze variant is in het nieuwe stelsel als default toegestaan bij verzekeraars en PPI's. De actuarissen van Bell tekenen daarbij aan dat goede rendementen nooit de reden mogen zijn om het risico te verhogen, want doorbeleggen betekent bewust kiezen voor meer onzekerheid, met kans op hogere maar ook lagere uitkomsten.
Bron: Bell, Lifecycle Pensioen 2025 (rendementen 2024). De genoemde rendementen zijn sectorbandbreedtes voor de standaard en de variabele lifecycle, niet per uitvoerder.
Achter de lifecycle-producten van de premieregelingen zitten verzekeraars en PPI's. Voor hun duurzaamheid gelden twee openbare Nederlandse benchmarks: de VBDO Benchmark Verzekeraars 2025 (schaal 1 tot 5) en de Eerlijke Verzekeringswijzer 2024 (schaal 1 tot 10). De PPI's zelf (BeFrank, Allianz PPI, Zwitserleven PPI) worden niet apart beoordeeld, dus hun score loopt via de moedermaatschappij. De onderstaande samengestelde ranking weegt de VBDO- en de EVW-score gelijk, elk genormaliseerd naar 100.
| Aanbiedersgroep (incl. PPI) | VBDO 2025 (0–5) | EVW 2024 (0–10) | DJSI / S&P CSA | Sustainalytics | Samengesteld (0–100) |
|---|---|---|---|---|---|
| a.s.r. / Aegon Cappital | 4,4 (nr. 1) | 8,3 (nr. 1) | 83 · nr. 9 wereldwijd | 12,3 · laag | 85,5 |
| Achmea / Centraal Beheer PPI | 3,9 (nr. 6) | 8,3 (nr. 1) | — | — | 80,5 |
| NN Group / BeFrank | 4,2 (nr. 2) | 6,7 (nr. 6) | 70 · top 10% (2023) | 16,2 · laag | 75,5 |
| Allianz / Allianz PPI | 3,7 (nr. 8) | 3,2 (nr. 15) | 89 · internationaal sterk | laag | 53,0 |
| Athora / Zwitserleven (+ PPI) | 4,0 (nr. 4) | 1,0 (nr. 16) | niet-beursgenoteerd | niet-beursgenoteerd | 45,0 |
Bronnen: VBDO, Benchmark Verantwoord Beleggen door Verzekeraars 2025 (Insuring the Future, juli 2025), 21 verzekeraars beoordeeld op een schaal van 1 tot 5. Eerlijke Verzekeringswijzer, achtste actualisering (november 2024), 16 verzekeraarsgroepen op een schaal van 1 tot 10. DJSI/S&P Global CSA 2024 en Sustainalytics ESG Risk Ratings als aanvullende datapunten, uitsluitend voor beursgenoteerde entiteiten. De samengestelde ranking is een afgeleide van de genormaliseerde VBDO- en EVW-scores en geen officieel gepubliceerde ranglijst. PPI's hebben geen eigen benchmarkscore en zijn via de moedermaatschappij opgenomen. Zorgverzekeraars (CZ 4,1, VGZ 4,0, Univé) staan in de bronnen hoog, maar vallen buiten de pensioenscope. Samenstelling op basis van de benchmarkanalyse maart 2026.
De twee verzekeraarsbenchmarks meten iets anders, en dat verklaart de grote verschillen. De VBDO weegt governance, beleid, implementatie en transparantie breed. De Eerlijke Verzekeringswijzer beoordeelt uitsluitend de beleidscommitments op maatschappelijke thema's. Athora/Zwitserleven staat daardoor sterk bij de VBDO (gedeeld nr. 4) maar onderaan bij de Eerlijke Verzekeringswijzer (nr. 16, laagste). Allianz scoort internationaal uitstekend op de DJSI (89 van 100), maar zwak op de Nederlandse beleidsbenchmark (3,2 van 10). Bij een keuze telt daarom welke lens past bij wat je wilt weten.
Voor verzekerde regelingen loopt een eigen tijdpad. De arbeidsvoorwaardelijke fase moet uiterlijk 1 oktober 2027 zijn afgerond, ruim later dan bij de fondsen, en de uiterste transitiedatum is 1 januari 2028. Het initiatief ligt bij de werkgever en de adviseur. De verzekeraar of PPI komt meestal pas in beeld nadat de arbeidsvoorwaardelijke afspraken zijn gemaakt. Voor de officiële koppen, oftewel het aandeel omgezette regelingen volgens DNB, zie De officiële transitiestand.
Verzekeraars en PPI's bieden tot dusver geen solidaire premieregeling aan, hoewel dat wel is toegestaan. De keuze gaat in de praktijk tussen de flexibele premieregeling en de premie-uitkeringsovereenkomst, en die keuze verschilt sterk per type uitvoerder.
Bij de omzetting maakt het overgangsrecht (eerbiedigende werking) een groot deel uit van de portefeuille: voor 64 procent van de contracten bij verzekeraars en 60 procent bij PPI's wordt daarvan gebruikgemaakt. Het grootste deel van de bestaande portefeuille gaat dus niet over naar een vlakke premie voor de huidige medewerkers, maar blijft de oude premiesystematiek volgen.
De overgang van een progressieve naar een vlakke premie roept de vraag op of leeftijdscohorten worden gecompenseerd. Bij verzekerde regelingen blijkt dat maar zelden binnen de pensioenregeling te gebeuren.
Waar wel wordt gecompenseerd, gebeurt dat vrijwel altijd buiten de pensioenregeling om, via een extra brutoloon. Die regelingen blijven daardoor buiten het zicht van de verzekeraar of PPI en gelden niet voor nieuwe medewerkers. Een terugkerend aandachtspunt van sociale partners is het cohort dat bij een baanwisseling compensatie kan mislopen, en de spanning tussen kostenneutraliteit en pensioenneutraliteit, vooral bij werkgevers met een jonge populatie.
De hoogte van de vlakke premie en de inrichting van het nabestaandenpensioen laten een stabiel maar uitvoerderafhankelijk beeld zien.
De mediaan van de vlakke premie ligt bij zowel verzekeraars als PPI's tussen 10 en 15 procent van de grondslag. Bij verzekeraars neemt het aandeel in de bandbreedte 15 tot 20 procent toe, van 23 naar 27 procent. Bij PPI's groeit juist de band 10 tot 15 procent, van 33 naar 39 procent. De totale premie blijft in de meeste gevallen gelijk. Bij verzekeraars stijgt die in 11 procent van de gevallen en daalt in 3 procent, bij PPI's stijgt die in 22 procent en daalt in 5 procent. Let op het onderscheid: bij verzekeraars en PPI's gaat het om een nettopremie, terwijl bij fondsen sprake is van een brutopremie waaruit nog kosten en risicopremies komen.
In de nieuwe regeling is het nabestaandenpensioen bij verzekeraars in alle gevallen zowel voor als na de pensioendatum gedekt. Bij PPI's geldt dat voor 80 procent van de gevallen, en voor 20 procent alleen voor de pensioendatum. De hoogte van het nabestaandenpensioen op risicobasis heeft een mediaan van 30 procent van het laatstverdiende salaris, met een eerste kwartiel van 24 procent en een derde kwartiel van 33 procent.
Bron: EY Adviseurs, Wtp Transitiemonitor Zomerrapportage 2026 (24 juni 2026), hoofdstuk 4. De status- en overgangsrechtcijfers komen uit de DNB-uitvraag onder verzekeraars en PPI's over het eerste kwartaal van 2026 (peildatum 1 januari 2026). De contractkeuze, premie, nabestaandenpensioen en compensatie komen uit de EY-uitvraag onder belanghebbenden (maart 2026). Eén instelling heeft PPI-data deels bij de verzekeraars opgenomen, wat de verdeling tussen beide eenmalig licht vertekent. De totalen zijn hierdoor niet geraakt. Aantallen contracten zijn afgerond.
DNB waarschuwde op 15 oktober 2026 dat pensioenregelingen die niet voor 1 januari 2028 zijn omgezet fiscaal onzuiver kunnen worden. De gevolgen: loonbelasting is alsnog verschuldigd over de totale opgebouwde pensioenaanspraak, bovenop kan revisierente verschuldigd zijn, en werkgevers en werknemers lopen het risico dat er geen dekking meer is voor overlijden en arbeidsongeschiktheid en geen nieuwe pensioenopbouw als de uitvoeringsovereenkomst wordt beëindigd. DNB roept alle betrokken partijen op voortvarend invulling te geven aan de resterende omzettingsopgave.
Bron: DNB, Transitienieuws kwartaalupdate voortgang transitie (15 oktober 2026).
Waar de internationale index Nederland als één stelsel behandelt, bestaat dat stelsel uit honderden fondsen van sterk uiteenlopende omvang. Zoek een fonds of sorteer op een kolom. Per fonds staan het aantal deelnemers uitgesplitst naar actieven, gewezen deelnemers (slapers) en pensioengerechtigden, plus de kosten en de dekkingsgraden over 2024.
| Fonds↕ | Deelnemers↕ | Actieven↕ | Slapers↕ | Gepensioneerd↕ | Adm.kosten (€ p.d.)↕ | VB-kosten↕ | Reële dg.↕ | Premiedg.↕ |
|---|
Bron: DNB, tabel 8.19 Jaargegevens individuele pensioenfondsen (jaar), gegevens 2024. Adm.kosten = administratieve uitvoeringskosten per deelnemer in euro. VB-kosten = vermogensbeheerkosten als percentage van het gemiddeld belegd vermogen. Reële dg. en premiedg. zijn de reële dekkingsgraad en de premiedekkingsgraad. Niet elk fonds rapporteert elk cijfer; ontbrekende waarden staan als streepje.
De Wtp is bewust gedecentraliseerd: sociale partners ontwerpen de regeling, het fondsbestuur voert uit en neemt het invaarbesluit, toezichthouders toetsen op een eigen spoor. Deze sectie brengt de rollen naast elkaar, inclusief wat een rol niet doet. Juist die afbakening is in de adviespraktijk vaak de bron van verwarring.
Sociale partners (of de werkgever als die er niet zijn) ontwerpen de inhoud van de regeling en het transitieplan: de contractkeuze (solidair of flexibel), de premie, de compensatie en het partnerpensioen. Zij gaan niet over de uitvoering, de beleggingen of het invaarbesluit.
Het fondsbestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering, het implementatieplan, het invaarbesluit en de evenwichtige belangenafweging (artikel 105 Pensioenwet). Het bestuur ontwerpt de regeling niet alsof het een cao-partij is.
Het verantwoordingsorgaan (bij bedrijfstak- en ondernemingsfondsen) oordeelt over het beleid van het bestuur en heeft een hoorrecht bij het invaren. Het neemt het invaarbesluit niet zelf. Bij beroepspensioenfondsen en APF-kringen vervult het belanghebbendenorgaan een vergelijkbare rol, met advies- of goedkeuringsrechten.
Het intern toezicht (de raad van toezicht, of de niet-uitvoerende bestuurders in een one-tier board) houdt toezicht op het bestuur, maar neemt de regeling of de beleggingen niet over.
DNB toetst prudentieel: bestuurdersgeschiktheid, de financiele opzet, het overbruggingsplan en de verklaring van geen bezwaar of de invaarbeschikking bij het invaren. DNB gaat niet over de deelnemerscommunicatie of de keuzebegeleiding.
De AFM toetst op gedrag en informatie: het UPO, de transitiecommunicatie en de keuzebegeleiding. De AFM gaat niet over de dekkingsgraad, de buffers of de invaarvergunning.
DNB toetst het besluit: is het fonds financieel en bestuurlijk klaar om in te varen? De AFM toetst de begeleiding: begrijpt de deelnemer wat hem overkomt en welke keuzes hij heeft? Een fonds kan prudentieel groen licht hebben en toch in de communicatie aanschrijvingen krijgen, en omgekeerd.
De typische volgorde bij een bedrijfstakfonds verloopt in vijf stappen. Sociale partners stellen het transitieplan en de nieuwe regeling vast, met de contractkeuze, de premie en de compensatie. Het fondsbestuur maakt vervolgens het implementatieplan en toetst de evenwichtige belangenafweging (artikel 105 Pensioenwet). Het verantwoordingsorgaan geeft een oordeel over het voornemen om in te varen. DNB beoordeelt het implementatieplan en geeft een verklaring van geen bezwaar of later de invaarbeschikking. Per 1 januari van het invaarjaar gaat de overgang in, waarna doorlopend AFM-toezicht op het UPO en de keuzebegeleiding volgt.
Rolvervanging. Het bestuur gaat meedenken over de regeling, of sociale partners roepen dat het fonds zijn verantwoordelijkheid niet oppakt. De Wtp houdt de rollen bewust gescheiden.
Governanceverschil per fondstype. Een beroepsfonds of APF-kring met een belanghebbendenorgaan dat een verantwoordingsorgaan-rol verwacht: het verschil tussen goedkeuring en oordeel is wezenlijk.
Uitgesteld invaren. Het besluit zelf blijft bij het bestuur, ook als het verantwoordingsorgaan, de toezichthouder of de sociale partners druk zetten. In het transitieregister zijn de uitstellers zichtbaar.
Communicatie tegenover prudentie. Een transitiecommunicatie die al naar buiten gaat terwijl DNB de financiele opzet nog niet heeft getoetst, of omgekeerd: groen licht van DNB maar de deelnemer is nog niet geinformeerd.
Bronnen: Pensioenwet (artikelen 102 tot en met 150q), Wet toekomst pensioenen, en de toezichtvisies van DNB en AFM over de Wtp-transitie. Het transitieregister (sectie Transitieregister) toont per fonds welke stap bereikt is.
Waar het dashboard eerder alleen de transitiedetails van de vijf grootste fondsen toonde, staat hier het volledige open transitieregister van PensioenNetwerk.nl. Per fonds en APF-kring zijn de beoogde overgangsdatum, de contractkeuze, de keuze voor invaren en de beoogde uitvoerder opgenomen, gekoppeld aan het DNB-relatienummer uit de SIVI-publicatie. Het register is samengesteld uit meerdere bronlagen. Per record staan de bronlaag en een eenduidigheidsstatus, zodat zichtbaar blijft hoe hard een gegeven is. Zoek een fonds, filter op type of contractkeuze, of sorteer op een kolom.
Een bottom-up aggregatie van de 202 fondsen, APF-kringen en buitenlandse regelingen in het register, naar de gekozen contractvorm en het beoogde overgangsjaar. De overgangsdatum is de effectieve stand die het register per record vaststelt, met de herkomst en peildatum van die stand ernaast. Dit is een andere invalshoek dan de EY Transitiemonitor en DNB elders in dit dashboard, die top-down werken met een eigen scope en peildatum.
Van de fondsen en kringen varen er 145 in en 28 niet. Voor 29 records is de invaarstatus in het register nog niet bevestigd.
Bron: eigen bottom-up aggregatie van het transitieregister van PensioenNetwerk.nl (202 fondsen, APF-kringen en buitenlandse regelingen, de 4 uitvoerderrecords blijven buiten beschouwing). Registerversie 2 november 2026, geraadpleegd september 2026. De overgangsdatum is de effectieve stand die het register per record vaststelt, met de herkomst en peildatum van die stand ernaast. De telwijze verschilt van de EY Transitiemonitor en van DNB, die elders in dit dashboard staan en een andere scope en peildatum hanteren.
| Fonds / kring↕ | Type↕ | Beoogde overgang↕ | Herkomst overgangsdatum↕ | Contractkeuze↕ | Invaren↕ | Uitvoerder↕ | DNB-nr↕ | Status↕ | Bronlaag↕ |
|---|
Bron: PensioenNetwerk.nl, transitieregister (open register), versie 2 november 2026, geraadpleegd september 2026. Het register is samengesteld uit meerdere bronlagen: vakpers, de SIVI-publicatie met DNB-relatienummer (koppelbasis 2 juli 2026, DNB-stand ultimo mei 2026), primaire fondsbronnen en deskresearch. Per record zijn de bronlaag en een eenduidigheidsstatus opgenomen. Records die niet eenduidig zijn of nog verificatie vragen, zijn als zodanig gemarkeerd. De kolom beoogde overgang toont de effectieve stand die het register per record vaststelt. De kolom ernaast vermeldt uit welke laag en met welke peildatum die stand komt. Dit is een secundaire, samengestelde bron. De gegevens kunnen afwijken van de primaire registers van DNB en van de AFM- en IG&H-cijfers elders in dit dashboard. De knop hierboven exporteert de op dat moment gefilterde weergave. Het volledige originele register is als CSV en JSON te downloaden op pensioennetwerk.nl/transitieregister.
Naast de bottom-up aggregatie uit het register hierboven staat hier de officiele, top-down stand van DNB en de Regeringscommissaris transitie pensioenen. De pensioenfondsen zijn qua deelnemers ver gevorderd, terwijl bij de verzekerde regelingen nog een grote opgave ligt.
Ongeveer 55 procent van de deelnemers is over. Per 1 juli 2026 waren 42 pensioenfondsen ingevaren, goed voor ruim 10 miljoen deelnemers, en had DNB 43 invaarbesluiten goedgekeurd.
Het drukste invaarmoment is 1 januari 2027. Een groep van 33 fondsen en kringen vaart pas op de uiterste datum van 1 januari 2028 in, samen ongeveer 570 duizend deelnemers. Bij ongewijzigde planning is medio 2027 naar verwachting 96 procent van de deelnemers over.
Per 1 juli 2026 was 42 procent van de contracten omgezet, uitgesplitst naar 38 procent bij verzekeraars en 49 procent bij PPI's (per 1 januari 2026 was dat 32 procent, 26 en 45).
Tot 1 januari 2028 moeten nog ruim 38 duizend contracten worden omgezet (zie ook de sectie Transitie bij verzekeraars en PPI's), waarvan naar schatting circa 63 procent gebruikmaakt van eerbiedigende werking. De grootste omzettingspiek wordt nog verwacht, richting 1 januari 2027 en 1 januari 2028.
De 38 en 49 procent per 1 juli 2026 zijn de SZW-telling (was 26 en 45 per 1 januari 2026). Een gedetailleerde uitsplitsing per uitvoerder, met de aantallen omgezette contracten en offertes, staat in de sectie Transitie bij verzekeraars en PPI's.
DNB hanteert een iets andere telling met een andere peildatum. Per 30 juni 2026 waren 34 fondsen ingevaren. Van het totale belegde vermogen van 1.630 miljard euro zat 566 miljard bij ingevaren Wtp-fondsen en 1.064 miljard nog bij FTK-fondsen. De dekkingsgraad van de FTK-fondsen steeg naar 136,1 procent en de beleidsdekkingsgraad naar 130,0 procent. Het verschil met de 42 fondsen per 1 juli komt door de invaarklas van 1 juli en de latere peildatum. Deze aantallen betreffen de voortgang tot nu toe. Het beoogde eindbereik staat bij de EY Transitiemonitor, namelijk 140 fondsen en kringen die invaren, samen 99 procent van de deelnemers.
Bron: vijfde voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen (ministerie van SZW, Kamerstuk 32043 nr. 714, 2 juli 2026), met het advies van de Regeringscommissaris transitie pensioenen van 18 juni 2026, en DNB, transitie en dekkingsgraad pensioenfondsen derde kwartaal 2026. Peildata: pensioenfondsen 30 september 2026 (DNB Q3 2026), verzekeraars en PPI's 1 juli 2026 (Werken aan ons Pensioen, 8 oktober 2026, CC0).
Ongeveer 55 fondsen en APF-kringen beogen na 1 januari 2027 in te varen. Dit is de eindfase van de transitie, en die sluit aan op de piek van 2027 en 2028 in het register hierboven. In deze fase stuurt DNB nadrukkelijk op een voortvarend beoordelingsproces.
DNB rondt de resterende invaarbeoordelingen af uiterlijk zes maanden voor de beoogde invaardatum. Fondsen die per 1 januari 2028 willen invaren, ontvangen uiterlijk 1 juli 2027 de beslissing over hun invaarmelding. Voor meldingen die eerder dan twaalf maanden vooraf zijn ingediend, blijft het streven om binnen zes maanden na ontvangst af te ronden.
Om het proces soepel te laten verlopen hanteert DNB drie lijnen: indienen uiterlijk twaalf maanden voor invaren, de plausibiliteit van de transitie-effecten direct na indiening beoordelen met gestandaardiseerde bevindingen, en het aantal iteraties beperken tot in beginsel een beoordeling per onderwerp. Op 7 september 2026 organiseren de Pensioenfederatie en DNB een rondetafel voor alle fondsen die na 1 januari 2027 beogen in te varen.
Bron: Werken aan ons Pensioen (ministerie van SZW, 3 september 2026, gepubliceerd onder CC0 1.0 en vrij herbruikbaar), op basis van het DNB-transitienieuws over de eindfase. Peildatum 3 september 2026.
Sinds de Wet toekomst pensioenen op 1 juli 2023 in werking trad, is een groeiend corpus rechtspraak ontstaan waarin de Wtp een rol speelt, van invaren en eigendomsrecht tot compensatie bij verzekerde regelingen, de positie van gepensioneerden en informatieverstrekking. Hieronder de belangrijkste uitspraken en geschillen, chronologisch, met de kern en een link naar de volledige tekst, gevolgd door de grote lijnen. Dit is een selectie, geen uitputtend overzicht, en geen juridisch advies.
Een van de eerste Wtp-uitspraken na 1 juli 2023, over de aanpassing wegens de verlaging van de toetredingsleeftijd naar 18 jaar. Het pensioenfonds heeft een eigen verantwoordelijkheid voor een beheerste en integere bedrijfsvoering en is geen uitvoeringsloket; de rechter toetst in kort geding marginaal en kiest niet zelf tussen twee regelingen.
Tussentijdse beslissing in de procedure die uitmondt in de uitspraak van 23 juli 2024. De vordering om de adviezen van de landsadvocaat over het invaren af te geven, werd afgewezen wegens het ontbreken van een toereikende grondslag.
Sleuteluitspraak over bestaande rechten en invaren. Opgebouwde pensioenrechten kunnen een eigendomsrecht vormen (artikel 1 EP EVRM, artikel 17 Handvest), maar zijn niet absoluut onaantastbaar. De enkele inwerkingtreding van de Wtp wijzigt het pensioen nog niet; zolang het transitieproces loopt is een vordering prematuur.
Kort geding over de invaartermijn. De vordering om het invaren per 1 januari 2025 twee maanden uit te stellen, werd afgewezen. Het fonds mocht op de beoogde datum invaren.
Over de eerbiedigende werking van artikel 220e Pensioenwet bij een verzekerde regeling. Het hof maakt onderscheid tussen een eerdere pensioenwijziging en de toekomstige Wtp-overgang: een toekomstige transitie mag niet zonder meer als bestaand nadeel worden meegenomen bij de beoordeling van die eerdere wijziging.
Het door DNB opgelegde verbod tot collectieve waardeoverdracht is een bestuurlijke sanctie, en DNB mag dat besluit openbaar maken. De invaarroute wordt daarmee ook bestuursrechtelijk afgedwongen.
Over de absolute verjaringstermijn van twintig jaar bij pensioenschade. SZW bevestigde naar aanleiding hiervan dat een vordering wegens een fout bij invaren in beginsel na twintig jaar kan verjaren, een apart aandachtspunt voor toekomstige invaarclaims.
Compensatie bij een verzekerde regeling, met de URM en de DNB-scenariosets, de percentielen en de waardering van garanties. Artikel 150e Pensioenwet geeft inzicht in de transitie-effecten maar schrijft geen harde compensatienorm voor; werkgever en werknemers maken afspraken, met externe actuariele validatie. De keuze tussen bijvoorbeeld P5 en P50 is onderdeel van de materiele compensatievraag.
Overgang naar een beschikbare premieregeling vóór de Wtp, met compensatie berekend via de DNB-scenariosets en de URM en de mediaan als uitgangspunt. De kantonrechter zag onvoldoende grond dat de compensatie onredelijk was, maar formuleerde geen algemene norm dat de mediaan altijd de juiste maatstaf is.
Verzoek om inzage in een vertrouwelijk landsadvocaat-advies uit 2011 over invaren, afgewezen wegens het professionele verschoningsrecht. De rechter geeft daarmee geen inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van invaren.
De eerste civiele toetsing van een vastgesteld Wtp-transitieplan. Het gedempte premiebeleid was en is toegestaan en de compensatiereserve voor actieve veertigplussers, mede uit het fondsvermogen, is niet onrechtmatig. Geen misbruik van bevoegdheid, onrechtmatige daad, schending van de zorgplicht of het eigendomsrecht, en geen verbod om de transitie uit te voeren.
Een pensioenberekening als rekenmethodiek is op zichzelf geen persoonsgegeven, dus de AVG is niet de grondslag om die berekeningen af te dwingen. Dat staat los van de informatieplichten die ABP wel op grond van de Pensioenwet heeft.
Het wijzigingscriterium van artikel 19 Pensioenwet geldt sinds de Wtp ook voor pensioengerechtigden, door het hof gezien als codificatie van bestaand recht. De pensioenovereenkomst blijft na pensionering juridisch relevant; de werkgever toonde onvoldoende zwaarwichtig belang aan om de indexatie eenzijdig te beeindigen.
Bij de verdeling van het fondsvermogen met een spreidingstermijn van tien jaar is sprake van indirect onderscheid naar leeftijd, dat oudere deelnemers zwaarder raakt. Het onderscheid heeft echter een legitiem doel en is passend en noodzakelijk, dus geen verboden leeftijdsonderscheid. Sociale partners hebben een ruime beoordelingsmarge.
Geen rechterlijke uitspraak maar pensioengeschillenrechtspraak. Een deelnemer stelde vragen over het transitieplan, risico's, mogelijke verlagingen en zijn handelingsperspectief. De GIP is bevoegd, maar een geschil over de inhoud van het transitieplan valt daar niet onder, en bij einduitspraak werden de specifieke technische vervolgvragen afgewezen wegens onvoldoende rechtsgrond. Illustreert de grens tussen de informatie- en keuzebegeleidingsplicht en individuele technische analyses.
Een factuur van 48 duizend euro voor aanvullende werkzaamheden wegens de Wtp en gewijzigde DNB-eisen. De zaak gaat niet over de rechtspositie van deelnemers, maar laat zien dat de Wtp ook doorwerkt in uitvoeringscontracten en de kostenverdeling tussen fonds en uitvoerder.
Inwerkingtreding is niet hetzelfde als invaren. De Wtp trad op 1 juli 2023 in werking, maar bestaande rechten zijn daarmee niet automatisch gewijzigd. De overgang is een proces met een wettelijk transitietraject, geen eenmalige gebeurtenis, en een procedure vóór afronding kan prematuur zijn.
Bestaande rechten zijn niet absoluut onaantastbaar, maar ook niet vogelvrij. Opgebouwde rechten kunnen een eigendomsrecht vormen, maar wijziging kan onder voorwaarden rechtmatig zijn. Bij fondsen staat het wettelijke invaarregime centraal, bij werkgevers en verzekerde regelingen artikel 19 Pensioenwet en het wijzigingsrecht.
De positie van gepensioneerden is sterker dan alleen een oud recht. Sinds de Wtp geldt het wijzigingscriterium van artikel 19 Pensioenwet ook voor pensioengerechtigden, door het hof gezien als codificatie van bestaand recht.
Compensatie is geen automatisch vast juridisch bedrag. Artikel 150e Pensioenwet geeft inzicht in de transitie-effecten, maar schrijft bij een verzekerde regeling geen harde compensatienorm voor. Een uitkomst uit de URM of de DNB-scenariosets is niet zonder meer gelijk aan het juridisch verschuldigde bedrag.
Bij fondsen is de evenwichtige belangenafweging de kern. Bij het transitieplan en de inrichting wordt gekeken naar leeftijdsgroepen, compensatie, fondsvermogen en spreiding, maar sociale partners en fondsen hebben geen onbeperkte vrijheid. Een transitie-effect dat een groep harder raakt, is niet automatisch verboden onderscheid.
De rechtspraak over daadwerkelijke invaarfouten moet nog grotendeels komen. Tot nu toe gaat het vooral over voorbereiding, transitieplan, wijziging, compensatie en informatie. De volgende fase zal meer gaan over individuele invaarberekeningen, conversiefouten, toedeling en aansprakelijkheid, met de verjaring als apart aandachtspunt.
De rechtsgang loopt gesplitst: een geschil over een DNB-besluit tot een invaarverbod via de bestuursrechter, een individuele deelnemer die onevenredig nadeel stelt via de civiele rechter, en informatie- en keuzebegeleidingsvragen deels via de Geschilleninstantie Pensioenfondsen.
De volledige uitspraken zijn te raadplegen via rechtspraak.nl (de ECLI-links) en, voor oordeel 2026-34, via het College voor de Rechten van de Mens. Dit is een selectie van de belangrijkste gepubliceerde uitspraken over de Wtp-transitie sinds 1 juli 2023, geen uitputtend overzicht en geen juridisch advies. Zie ook de aparte disclaimer in de inhoudsopgave.
De Wtp-transitie eindigt wettelijk op 1 januari 2028, maar niet het hele stelsel vaart in. Deze sectie bundelt wat er overblijft onder het FTK, de buy-outroute naar verzekeraars, en de houdbaarheidsvragen die na de transitie blijven liggen. Cijfers zijn getoetst aan DNB en het eigen transitieregister; waar een bron gedateerd of fondsgebonden is, staat dat erbij.
Op 30 september 2026 zat nog ruim de helft van het pensioenvermogen bij fondsen die niet waren ingevaren (zie de vermogensstand bij De officiële transitiestand). Na de deadline blijven uitkeringsovereenkomsten die niet invaren onder het FTK: rekenrente, herstelplan en indexatiekader lopen door. Daarnaast is er de route voortzetting als solidaire of flexibele premieregeling zonder invaren, met een implementatieplan-melding bij DNB, en de buy-out: collectieve waardeoverdracht aan een verzekeraar, waarna het fonds ophoudt te bestaan.
Het veelgenoemde "27% vaart niet in" komt uit de vierde Wtp-monitoring van DNB en AFM (publicatie december 2023): 73% van de responderende fondsen en APF-kringen verwachtte toen in te varen, 27% niet (liquidatie, overdracht of voortzetting zonder invaren). Dat is een intentiepeiling van eind 2023, geen stand 2026. In dit dashboard telt het transitieregister (stand 1 oktober 2026) 62 fondsen en kringen zonder overgangsdatum (waaronder FTK-voortzetting, naar verzekeraar en status onbekend) en 5 zonder invaren via overdracht of CWO.
De "minimale invaardekkingsgraad van 98%" is geen sectorbrede wettelijke norm. PMA noemt 98% in het overbruggingsplan 2026 en waarschuwt dat onder 102% de pensioenen naar verwachting verlaagd moeten worden om te kunnen invaren. Andere fondsen hanteren een eigen grens (PNO Media bijvoorbeeld 102,3% op de beoogde overstapdatum).
FTK-archieffonds. Gesloten voor nieuwe opbouw; uitkeringen en toeslagbeleid lopen door onder het FTK. Uitvoeringskosten per hoofd stijgen naarmate de populatie krimpt, en er is geen nieuwe premie om een langere uitkeringsduur te bufferen.
Buy-out naar verzekeraar. Aanspraken en reserves gaan over; het fonds houdt op te bestaan. De uitkering en vaak een ingekochte indexatie staan vast. De pensioenvrijstelling van het fonds vervalt en de verzekeraar legt kapitaal vast onder Solvency II.
Liquidatie met collectieve waardeoverdracht. Het fonds lost af; deelnemers gaan collectief over (artikel 84 Pensioenwet bij liquidatie, artikel 83 bij vrijwillige overdracht, artikel 150m bij interne overdracht). De verdeling van meer- of onderwaarde bepaalt de overdrachtswaarde.
DNB meldde op 16 december 2025 dat buy-outs vooral voor kleinere fondsen een alternatief vormen voor de Wtp-complexiteit. Hoge dekkingsgraden maken het mogelijk indexatie mee te verzekeren. Athora (Zwitserleven) is de actiefste partij: het meldde in 2026 circa €8 miljard aan afspraken met tien fondsen in twee jaar, wat overlapt met het DNB-cijfer en er niet bovenop komt.
| Fonds | Verzekeraar | Omvang | Indexatie bij overdracht | Datum |
|---|---|---|---|---|
| Delta Lloyd Pensioenfonds | Zwitserleven (Athora) | € 3,1 mrd | Eenmalig +7,0%, daarna 100% Europese inflatie | September 2026 |
| SPT (Tandartsen) | a.s.r. | € 1,6 mrd | Eenmalig +25%, daarna +0,5% per jaar | December 2024 |
| Campina (gesloten) | Zwitserleven (Athora) | € 1,25 mrd | 100% Europese inflatie, plus inhaalindexatie | Vanaf juli 2026 |
| Nedlloyd Pensioenfonds | Zwitserleven (Athora) | € 950 mln | Vast 3%/jaar (4 jaar), daarna circa 1,3% | April 2025 |
| AT&T Nederland | Zwitserleven (Athora) | € 170 mln | Eenmalig +5,68%, daarna 100% Europese inflatie | April 2026 |
| GE Artesia (OFP) | Achmea Pensioen & Leven | ~€ 200 mln | Eenmalige verhoging, daarna Europese inflatie | Eind 2026 |
| Coram | a.s.r. | niet openbaar | Eenmalig +3,5%, daarna gegarandeerde toeslag | Q4 2024 |
| Staples (gesloten) | Aegon Leven (a.s.r.) | niet openbaar | 100% Europese prijsinflatie per 1-1-2026 | Juli 2025 |
| Will Niemeijer | Nationale-Nederlanden | niet openbaar | niet openbaar | Juli 2024 |
| BAT | a.s.r. | niet openbaar | niet openbaar | Mei 2025 |
| Pensura | Athora (Zwitserleven) | niet openbaar | niet openbaar | 2024 |
Deadline 1-1-2028. Opgebouwde rechten kunnen tot die datum worden ingevaren. Wie een uitkeringsovereenkomst houdt, blijft onder het FTK. Verschuiving van de deadline loopt via een AMvB. Een fonds dat de datum niet haalt, valt terug op het overbruggingsplan, herstel en toezicht; er is geen automatische liquidatie.
Fiscale premie tweede pijler. De Wtp verving de leeftijdsafhankelijke staffel door een vlakke fiscale premiegrens van 30 procent van het pensioengevend loon, met een aftoppingsgrens van 137.800 euro die van 2027 tot en met 2032 niet wordt geïndexeerd (Prinsjesdag 2026). Het IBO Pensioenopbouw in balans (2024) liet de omvang van de fiscale facilitering open. Heffing op de solidariteitsreserve, premie boven het plafond en boekresultaat bij run-off of collectieve waardeoverdracht zijn onafgeronde dossiers.
AOW-leeftijd. De AOW-leeftijd en de koppeling aan de levensverwachting staan in de secties Demografie en AOW-houdbaarheid (kort: 67 jaar tot en met 2027, 67 jaar en 3 maanden van 2028 tot en met 2031, en de een-op-eenkoppeling is van tafel). Een hogere AOW-leeftijd verlengt de premieperiode en verkort de AOW-duur. Voor een FTK-archieffonds zonder nieuwe premie werkt een langere uitkeringsduur direct op de dekkingsgraad. De pensioenrichtleeftijd (2026: 68 jaar) is een andere grootheid dan de AOW-leeftijd.
Bronnen: DNB, transitie en dekkingsgraad Q3 2026. DNB, €7 mrd buy-outs (16 december 2025). Delta Lloyd → Zwitserleven (Athora, 1 september 2026). Nedlloyd → Zwitserleven (Athora, 7 april 2025). AT&T → Zwitserleven (Athora, 2 april 2026). Fondssites en persberichten a.s.r., Achmea en NN voor de overige regels. DNB 4e monitoring Wtp (december 2023) voor het "27%"-cijfer. PMA en PNO Media voor de invaardrempels. IBO Pensioenopbouw in balans (2024). SVB en Rijksoverheid voor de AOW-leeftijd.
Naast de kosten telt wat een fonds op zijn beleggingen verdient. Rendement is echter niet los te lezen van het risicoprofiel. Een fonds dat een groot deel van het renterisico afdekt, haalt een lager beleggingsrendement bij lager risico dan een fonds met een grote returnportefeuille. Een kale ranglijst van rendementen vergelijkt daarom appels met peren.
Het cumulatieve rendement over dertien kwartalen, voor een selectie fondsen van hoog naar laag. De grote bedrijfstakfondsen zijn gemarkeerd. Het venster begint in de rentecrash van 2022, waardoor vrijwel alle fondsen cumulatief negatief staan. Juist dat maakt het risicoprofiel zichtbaar: het verschil tussen bovenaan en onderaan is ruim 58 procentpunt en weerspiegelt vooral de mate van renteafdekking, niet de kwaliteit van de belegger.
| Fonds | Cumulatief rendement |
|---|
De fondsen onderaan zijn geen slechtere beleggers. Zij dekken een groter deel van hun renterisico af, waardoor hun beleggingen minder meestijgen met de aandelenmarkt maar ook minder gevoelig zijn voor rentebewegingen. In 2022 daalde bij die fondsen de waarde van de langlopende obligaties, maar tegelijk daalde de waarde van hun verplichtingen. Dat is dezelfde duration-hefboom die eerder in het dashboard wordt toegelicht. Het beleggingsrendement zegt daarom weinig zonder de verplichtingenkant erbij.
2024 was een goed beleggingsjaar. Over het eerste kwartaal boekten pensioenfondsen bijna 36 miljard euro koerswinst op aandelen en participaties, waardoor het belegd vermogen met 2 procent steeg naar 1.687 miljard euro. Daartegenover stonden verliezen op schuldpapier en rentederivaten, samen ruim 11 miljard euro, waarmee fondsen een deel van hun renterisico afdekken. Winst op de returnportefeuille, verlies op de afdekking: precies de dynamiek achter de duration-hefboom.
Bron: DNB-stand, kwartaalrendement beleggingen voor risico fonds per pensioenfonds, tweede kwartaal 2022 tot en met tweede kwartaal 2025. Het getoonde percentage is het meetkundig samengestelde rendement over die dertien kwartalen. De door de bron afgekapte kolom van het eerste kwartaal 2022 is buiten beschouwing gelaten. Sectorcijfers over 2024 uit statistiekberichten van De Nederlandsche Bank. Het betreft het rendement op het vermogen voor risico van het fonds, niet het nettoresultaat na verplichtingen. Fondsen met een onvolledige reeks in dit venster zijn buiten de selectie gelaten.
De OECD verzamelt jaarlijks de nominale en reële beleggingsrendementen van kapitaalgedekte pensioenregelingen. Onderstaande cijfers zijn de voorlopige uitkomsten over december 2024 tot december 2025. Het reële rendement, na inflatie, bepaalt de koopkracht van het pensioen. Het beeld loopt sterk uiteen, van ruim dertig procent in Polen tot negatief in Nederland.
Nederlandse pensioenfondsen dekken een groot deel van het renterisico af met langlopende vastrentende waarden. In 2025 steeg de rente, waardoor de waarde van die afdekking daalde en het beschermingsrendement negatief werd. Datzelfde mechanisme staat in de sectie over de duration-hefboom. Het nominale rendement kwam uit op −2,7 procent en reëel op −5,3 procent. Dit is een momentopname over één jaar en zegt weinig over het rendement op de lange termijn.
Deze sectie toont het beleggingsrendement uit de OECD-factsheet (Figuur 1), niet de vermogensgroei (Tabel 1). In het publieke debat circuleert de vergelijking van −2,8 procent voor Nederland tegenover +11,7 procent voor de OESO. Die twee cijfers zijn niet vergelijkbaar. De −2,8 procent is de vermogensgroei van Nederland in eigen valuta, net als de percentages van de andere landen. De +11,7 procent is de groei van het totale OESO-vermogen uitgedrukt in dollars, waarin het Amerikaanse vermogen zwaar weegt. Doordat de dollar in 2025 sterk daalde ten opzichte van de euro, van ongeveer 1,04 naar 1,17 dollar per euro, wordt die dollargroei opgeblazen. De OECD waarschuwt daar in de factsheet zelf voor. Omgerekend naar euro’s kromp het totale OESO-vermogen met ongeveer 1,2 procent. Nederland blijft dan iets achter, maar het verschil is klein, geen 14 procentpunt. Vermogensgroei is bovendien geen rendement, want ook premies en uitkeringen bepalen de mutatie.
| Land | Groep | Nominaal | Reëel |
|---|---|---|---|
| Polen | OECD | +34,4% | +31,2% |
| Hongkong (China) | niet-OECD | +16,6% | +14,9% |
| Pakistan | niet-OECD | +19,8% | +13,4% |
| Mexico | OECD | +15,2% | +11,1% |
| Israël | OECD | +14,0% | +11,1% |
| Chili | OECD | +14,5% | +10,7% |
| Costa Rica | OECD | +9,2% | +10,6% |
| Honduras | niet-OECD | +15,3% | +9,9% |
| Peru | niet-OECD | +11,1% | +9,5% |
| Turkije | OECD | +42,5% | +8,8% |
| Armenië | niet-OECD | +12,4% | +8,8% |
| Macau (China) | niet-OECD | +9,4% | +8,6% |
| Australië | OECD | +9,7% | +7,7% |
| Finland | OECD | +7,7% | +7,5% |
| Roemenië | niet-OECD | +17,7% | +7,3% |
| Georgië | niet-OECD | +11,1% | +6,8% |
| Liechtenstein | niet-OECD | +6,6% | +6,6% |
| Verenigde Staten | OECD | +9,2% | +6,4% |
| Malediven | niet-OECD | +6,1% | +5,6% |
| India | niet-OECD | +6,9% | +5,5% |
| Hongarije | OECD | +8,5% | +5,1% |
| Marokko | niet-OECD | +4,7% | +5,0% |
| Kroatië | niet-OECD | +8,2% | +4,8% |
| Dominicaanse Republiek | niet-OECD | +9,9% | +4,7% |
| Noorwegen | OECD | +8,0% | +4,7% |
| Guyana | niet-OECD | +6,9% | +4,4% |
| Estland | OECD | +8,6% | +4,3% |
| Uruguay | niet-OECD | +8,1% | +4,3% |
| Filipijnen | niet-OECD | +5,2% | +4,3% |
| Zuid-Korea | OECD | +6,3% | +3,9% |
| Spanje | OECD | +6,7% | +3,6% |
| Italië | OECD | +4,8% | +3,6% |
| Slowakije | OECD | +7,4% | +3,4% |
| Kosovo | niet-OECD | +8,5% | +3,1% |
| Canada | OECD | +5,3% | +2,9% |
| Litouwen | OECD | +6,1% | +2,6% |
| Indonesië | niet-OECD | +5,6% | +2,6% |
| Griekenland | OECD | +5,2% | +2,5% |
| België | OECD | +4,6% | +2,5% |
| Denemarken | OECD | +4,4% | +2,4% |
| Letland | OECD | +5,8% | +2,3% |
| Tsjechië | OECD | +4,5% | +2,3% |
| Thailand | niet-OECD | +2,0% | +2,3% |
| Bulgarije | niet-OECD | +7,2% | +2,2% |
| Albanië | niet-OECD | +4,3% | +2,0% |
| IJsland | OECD | +6,5% | +1,9% |
| Servië | niet-OECD | +4,5% | +1,7% |
| Portugal | OECD | +3,9% | +1,6% |
| Noord-Macedonië | niet-OECD | +5,4% | +1,2% |
| Oostenrijk | OECD | +4,9% | +1,1% |
| Slovenië | OECD | +3,7% | +1,0% |
| Suriname | niet-OECD | +11,3% | −0,1% |
| Nigeria | niet-OECD | +11,2% | −3,4% |
| Kazachstan | niet-OECD | +7,4% | −4,3% |
| Nederland | OECD | −2,7% | −5,3% |
| Angola | niet-OECD | +9,3% | −5,6% |
| Zambia | niet-OECD | +4,4% | −6,1% |
Bron: OECD, Pension Markets in Focus 2026, Preliminary 2025 Data (juni 2026), Figuur 1. Nominale en reële rendementen van kapitaalgedekte pensioenregelingen over december 2024 tot december 2025. Voorlopige cijfers, die in de definitieve editie kunnen worden bijgesteld. Reëel rendement is na inflatie. De OECD rapporteert het rendement voor de hier opgenomen landen.
De OECD wijst erop dat de aandelenweging in de portefeuille een groot deel van de rendementsverschillen over 2025 verklaart. Landen met een hoge aandelenweging profiteerden het sterkst van de gunstige aandelenmarkten, terwijl portefeuilles met veel vastrentende waarden last hadden van de oplopende lange rente. De spreiding binnen de OECD is groot, van ruim negentig procent aandelen in Polen tot vrijwel nul in Zuid-Korea.
Bron: OECD, Pension Markets in Focus 2026, Preliminary 2025 Data (juni 2026), Figuur 2 en de bijbehorende tekst. Getoond is uitsluitend het aandelenpercentage, de enige categorie die de factsheet per land in de tekst becijfert. De volledige verdeling over aandelen, obligaties, kas en overig staat alleen in het onderliggende Excelbestand. Nederland wordt in deze factsheet niet apart becijferd en is daarom niet opgenomen.
Een vergelijking binnen het eurogebied van het beleggingsrendement over 2025. Door tot dit gebied te beperken vallen valuta-effecten weg en heeft elk land met dezelfde rentecurve te maken, wat de vergelijking zuiverder maakt dan een mondiale. Nederland kwam uit op min 2,7%, tegenover een gewogen 5,1% voor de rest van het eurogebied. Inclusief Nederland resteert een gewogen 1,4%.
| Land | Rendement 2025 | Pensioenvermogen (USD mln) |
|---|---|---|
| Nederland | −2,7% | 1.946.461 |
| België | +4,6% | 227.516 |
| Cyprus | — | — |
| Duitsland | −0,0% p | 323.488 |
| Estland | +8,6% | 9.631 |
| Finland | +7,7% | 228.691 |
| Frankrijk | +6,7% p | 473.683 |
| Griekenland | +5,2% | 3.801 |
| Ierland | +4,9% p | 199.969 |
| Italië | +4,8% | 321.131 |
| Kroatië | +8,2% | 34.659 |
| Letland | +5,8% | 13.075 |
| Litouwen | +6,1% | 13.086 |
| Luxemburg | +4,9% p | 1.432 |
| Malta | — | — |
| Oostenrijk | +4,9% | 44.073 |
| Portugal | +3,9% | 45.863 |
| Slovenië | +3,7% | 6.176 |
| Slowakije | +7,4% | 28.328 |
| Spanje | +6,7% | 206.465 |
| Totaal exclusief Nederland | +5,1% (gewogen) | 2.181.067 |
| Totaal inclusief Nederland | +1,4% (gewogen) | 4.127.528 |
Het lage Nederlandse cijfer sluit aan op het mechanisme uit de sectie over het liquiditeitsrisico van de rentehedge: de sterke renteafdekking en de risico-afbouw richting invaren drukken het beleggingsresultaat in een jaar met stijgende of grillige rente. Het betreft een momentopname van één jaar in euro's, geen oordeel over de kwaliteit van het stelsel.
Databron: OECD, Pension Markets in Focus, Preliminary 2025 Data. Analyse en berekening: BGEZ (Bob Galesloot), 17 augustus 2026, gedeeld via LinkedIn. De rendementen zijn de nominale beleggingsrendementen uit figuur 1 van het OECD-rapport, in lokale valuta (euro). Waar het rendement ontbreekt, is de stijging van het pensioenvermogen uit tabel 1 als proxy gebruikt, gemarkeerd met p (Duitsland, Frankrijk, Ierland en Luxemburg). Voor Cyprus en Malta is geen data beschikbaar. Het pensioenvermogen staat in USD miljoen zoals door de OECD gerapporteerd. De gewogen gemiddelden zijn gewogen naar pensioenvermogen. Peildata kunnen afwijken van de overige bronnen in dit dashboard.
Een pensioen op basis van beleggingen deelt in het beleggingsrisico. In een beschikbare premieregeling bij een verzekeraar of PPI draagt de deelnemer dat risico via de lifecycle rechtstreeks, bij een fonds komt het terug in de dekkingsgraad. Een beurscrash is een snelle daling van 20% of meer, ook wel een bear market genoemd. De geschiedenis laat zien dat forse dalingen onvermijdelijk zijn, maar ook dat de markten zich uiteindelijk steeds herstellen. De hersteltijd loopt sterk uiteen, van enkele maanden tot tientallen jaren.
| Crisis | Periode | Daling | Duur crash | Herstelperiode |
|---|---|---|---|---|
| Grote Depressie | 1929 | −89% | 3 jaar | 25 jaar |
| Oliecrisis | 1973–1974 | −48% | 21 maanden | ~7 jaar |
| Zwarte Maandag | 1987 | −34% | 3 maanden | ~2 jaar |
| Aziatische crisis | 1997–1998 | −60% | 18 maanden | ~5 jaar |
| Dot-com-bubbel | 2000–2002 | −78% | 2,5 jaar | ~15 jaar |
| Financiële crisis | 2007–2009 | −57% | 17 maanden | ~5,5 jaar |
| COVID-19-crash | 2020 | −34% | 33 dagen | ~6 maanden |
| Bear market | 2022 | −25% | ~10 maanden | ~1,5 jaar |
In een premieregeling draagt de deelnemer het beleggingsrisico zelf, en daarom bouwt de lifecycle het risico af richting de pensioendatum. Voor wie nog ver van pensioen is, is een crash vooral een tijdelijke terugval die de jaren daarna doorgaans wordt goedgemaakt. Dichter bij de pensioendatum weegt een daling zwaarder, want er is minder tijd om te herstellen. Spreiding en een lange horizon dempen het effect, maar nemen het risico niet weg.
Bron: S&P 500, Dow Jones Industrial Average, NASDAQ en historische marktdata, eigen bewerking. Dalingen gemeten van piek tot dal, herstelperioden zijn benaderend. Het overzicht beslaat de periode 1929 tot en met 2022.
Naast vermogen, kosten en rendement telt hoe verantwoord een fonds belegt. Twee onafhankelijke ranglijsten meten dat, elk vanuit een andere invalshoek. De Eerlijke Pensioenwijzer beoordeelt de inhoud van het duurzaamheidsbeleid van de tien grootste fondsen. De VBDO beoordeelt de praktijk van verantwoord beleggen bij zevenenveertig fondsen. De schalen en de steekproeven verschillen, dus de twee scores zijn niet één op één vergelijkbaar.
De tien grootste bedrijfstakpensioenfondsen, beoordeeld op acht duurzaamheidsthema's en twee risicosectoren. De schaal loopt van 1 (zeer slecht) tot 10 (uitstekend) en meet de inhoud van het gepubliceerde beleggingsbeleid, niet de uitvoering. Gemiddeld halen de fondsen een 3,3, een ruime onvoldoende. Sociale thema's scoren het hoogst, Natuur en Dierenwelzijn het laagst.
Bron: Schepers, D., M. Werkman en S. Geurts (2025, april), Beleidsbeoordeling Nederlandse pensioenfondsen – derde actualisering, Amsterdam: Profundo, in opdracht van de Eerlijke Pensioenwijzer (Amnesty International, Milieudefensie, Oxfam Novib, PAX en World Animal Protection). Scores op een schaal van 1 tot 10 volgens de Fair Finance Guide Methodology 2023. Beoordeeld is de inhoud van het publiek beschikbare beleggingsbeleid, niet de uitvoering. De gemiddelden over 2022 zijn alleen berekend over de thema's en sectoren die ook in deze actualisering zijn beoordeeld. Methodewijzigingen kunnen scoreverschillen deels verklaren.
De VBDO beoordeelt de praktijk van verantwoord beleggen bij zevenenveertig pensioenfondsen op vier onderdelen: governance, strategische allocatie, de beleggingsportefeuille en individuele beleggingen. De totaalscore loopt van 1 tot 5. Pensioenfonds Detailhandel voert de ranglijst aan, gevolgd door een kopgroep van grote fondsen.
| Rang↕ | Fonds↕ | Totaal↕ | Governance↕ | Allocatie↕ | Portefeuille↕ | Ind. beleggingen↕ | Sterren↕ |
|---|
Bron: VBDO (Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling), Benchmark Responsible Investment by Pension Funds in the Netherlands 2024. Totaalscore en subscores op een schaal van 1 tot 5. Fondsen delen alleen een ranglijstplaats bij een gelijke score tot op twee decimalen. Sterren zijn de kwalificatie van de VBDO en volgen niet strikt de totaalscore.
De twee ranglijsten meten verschillende dingen en leveren daarom een ander beeld op. Pensioenfonds Vervoer scoort in de beleidsbeoordeling van de Eerlijke Pensioenwijzer relatief hoog (gemiddeld 3,8), maar staat in de VBDO-praktijkmeting lager (plaats 24). Pensioenfonds Detailhandel voert de VBDO-ranglijst aan, maar zit in de beleidsbeoordeling in de middenmoot. Beleid op papier en beleid in de praktijk vallen niet vanzelf samen.
Verantwoord beleggen komt elders in dit dashboard al aan bod via de VBDO-benchmark en de Eerlijke Geldwijzer. Hier lichten wij specifiek de klimaatmetrieken eruit: de CO2-voetafdruk van de beleggingen, de reductiedoelen en de mate waarin de sector in lijn ligt met het akkoord van Parijs.
In 2019 tekenden circa vijftig financiële instellingen, waaronder banken, verzekeraars, pensioenfondsen en vermogensbeheerders, het Klimaatcommitment van de Nederlandse financiële sector, onderdeel van het Klimaatakkoord. De ondertekenaars meten sinds boekjaar 2020 de CO2-voetafdruk van hun relevante beleggingen, veelal via de PCAF-methodiek die van Nederlandse oorsprong is, en rapporteren daar publiekelijk over. Uiterlijk in 2022 maakten zij actieplannen met reductiedoelen voor 2030 bekend.
Volgens de voortgangsrapportage van KPMG heeft 96 procent van de ondertekenaars als doel om in 2050 volledig CO2-neutraal te zijn, en heeft 90 procent een tussentijds doel voor 2030 geformuleerd, vaak van minstens 50 procent reductie. De CO2-voetafdruk is voor toezichthouder DNB ook een risicomaatstaf: een hogere voetafdruk betekent meer blootstelling aan fossiele sectoren, en daarmee aan transitierisico en het risico van stranded assets, beleggingen die door strenger klimaatbeleid vervroegd worden afgewaardeerd.
De Eerlijke Geldwijzer oordeelt dat de klimaatplannen van de grote banken, verzekeraars en pensioenfondsen tekortschieten om het doel van maximaal 1,5 graad opwarming uit het akkoord van Parijs te halen. De kritiek richt zich op de reikwijdte van de meting en de doelen: veel instellingen stellen een doel voor slechts een deel van de beleggingscategorieën, een aanzienlijk deel had geen tussendoel voor 2025, en van de tien onderzochte grote instellingen telden er destijds slechts drie, PMT, ABP en BpfBOUW, de uitstoot van het gebruik van olie en gas volledig mee, terwijl de PCAF-methodiek dat voorschrijft.
Ook ontbreekt bij een deel van de instellingen een concreet uitfaseringsplan voor fossiele beleggingen. Tegelijk scherpen individuele partijen hun doelen aan, met streefwaarden als een halvering van de CO2-voetafdruk in 2030 ten opzichte van 2020. De discussie over een wettelijke klimaatplicht voor de financiële sector loopt nog.
Bronnen: Klimaatcommitment van de Nederlandse financiële sector (2019) en de KPMG-voortgangsrapportage; De Nederlandsche Bank over klimaatrisico en stranded assets; en de Eerlijke Geldwijzer over de mate waarin de plannen in lijn zijn met Parijs. PCAF staat voor Partnership for Carbon Accounting Financials.
Investment beliefs zijn de expliciete, toetsbare overtuigingen van een fonds over marktwerking, risico, rendement, duurzaamheid en governance. Ze zijn hypotheses over hoe markten werken, geen vaststaande feiten, en ze vormen de basis onder het beleggingsbeleid. Met het nieuwe stelsel, geopolitieke verschuivingen en hogere eisen aan uitlegbaarheid is de vraag niet langer of fondsen ze moeten formuleren, maar hoe scherp en hoe actueel.
De ontwikkeling liep van intuïtieve beginselen, zoals spreiding is verstandig en risico wordt beloond, via de academische fundamenten van Markowitz (portefeuilletheorie, 1952), Sharpe (CAPM, 1964) en Fama (efficiënte markten, 1970), naar expliciete en toetsbare overtuigingen vanaf ongeveer het jaar 2000. Aanleidingen waren complexere producten zoals derivaten en private markets, de inzichten uit de behavioral finance van Kahneman en Thaler, en vooral de regelgeving.
In de Nederlandse context vraagt het FTK (2007, herzien in 2015) om consistentie, onderbouwing en transparantie. De prudent-person-regel, sinds 2003 en verankerd in de Pensioenwet van 2007, verplicht fondsen alleen risico's te nemen die zij kunnen onderbouwen en begrijpen. DNB ziet investment beliefs als een essentieel onderdeel van goed beleggingsbeleid en goede governance: fondsen moeten expliciete overtuigingen hebben, die moeten aansluiten bij het risicoprofiel en periodiek worden herijkt. Beliefs operationaliseren zo de toezichteisen, en zijn dus geen nice-to-have.
Onderzoek naar institutionele beleggers bevestigt dat subjectieve verwachtingen over rendement en risico systematisch doorwerken in de portefeuille-allocatie: verschillen tussen fondsen worden grotendeels verklaard door verschillen in beliefs, en de kwaliteit van de governance bepaalt hoe consistent die worden toegepast. Beliefs zijn daarmee geen zachte governancevorm, maar raken de kern van het beleggingsbeleid. Explicitering maakt het mogelijk biases te herkennen, aannames te toetsen en consistentie te bewaken.
Accuracy. De belief beschrijft de beleggingsomgeving zo precies mogelijk, in waarschijnlijkheden en niet in zekerheden. Leg per belief vast waarom het fonds dit gelooft, welk bewijs ertegen spreekt, en wat de overtuiging zou doen veranderen.
Alignment. De belief wordt breed gedeeld en consequent toegepast door bestuur, beleggingscommissie, fiduciair manager en uitvoeringsorganisatie.
Actionability. De belief is zichtbaar terug te vinden in de strategie, de beleidsdocumenten, de mandaten en de dagelijkse besluitvorming, en staat niet alleen op papier.
De echte waarde zit niet in het expliciet maken van de overtuigingen, maar in het toetsbaar houden ervan: periodiek toetsen, bevestigen of actualiseren. Overtuigingen geven richting, maar mogen nooit vrijstelling krijgen van twijfel.
De Wtp verandert de fundamentele logica van pensioenbeleggen, waardoor beliefs die niet worden herzien niet meer aansluiten op het nieuwe stelsel.
Risicohouding wordt leidend. De risicohouding van de deelnemers bepaalt het risicobudget; beliefs moeten daarop aansluiten en expliciet maken hoe risico wordt beloond en beheerst.
Rendement wordt directer zichtbaar. Pensioenresultaten schommelen sterker, dus beliefs moeten expliciet zijn over het beperken van drawdowns, volatiliteit, liquiditeit en uitlegbaarheid.
De rol van illiquiditeit verandert. Illiquide beleggingen beïnvloeden direct de uitkeringsruimte: hoeveel is acceptabel, hoe wordt de pacing beheerd, en wat past bij welke cohorten?
Evenwichtige belangenafweging wordt scherper. Jong en oud hebben verschillende risicoprofielen; beliefs maken expliciet hoe risico, rendement, illiquiditeit en duurzaamheid worden verdeeld.
Uitlegbaarheid wordt cruciaal. Deelnemers moeten de keuzes kunnen begrijpen, dus beliefs worden eenvoudiger, concreter en beter uitlegbaar.
Governance verandert. De nadruk verschuift naar transparantie, verantwoording en deelnemersbetrokkenheid, en beliefs moeten bij die eisen passen.
| Regeling en profiel | Rente-afdekking | Kenmerk |
|---|---|---|
| FPR, defensief | 40 tot 60% | korte duration |
| FPR, neutraal | 20 tot 40% | gebalanceerd |
| FPR, offensief | 0 tot 20% | meer aandelen en real assets |
| SPR, collectief | 30 tot 50% | duration actief beheerd, afgestemd op de solidariteitsreserve |
Solidaire premieregeling. De collectieve risicohouding is leidend en risico's worden evenwichtig over cohorten verdeeld. Stabiliteit en schokbestendigheid zijn kernprincipes, ondersteund door de solidariteitsreserve. Illiquiditeit moet passen bij de liquiditeitsbehoefte van het collectief en mag de uitkeringsruimte niet beperken. Duurzaamheid geldt uniform, diversificatie voorkomt extreme uitkomsten, passief is de standaard en actief alleen bij inefficiënte of illiquide markten, en complexiteit alleen bij aantoonbare meerwaarde voor het collectief.
Flexibele premieregeling. Risico wordt beloond, maar deelnemers verschillen in risicobereidheid, dus er zijn meerdere risicoprofielen. Lifecycle-beleggen is essentieel, met meer risico voor jongeren en meer stabiliteit voor ouderen. Default-profielen zijn eenvoudig, uitlegbaar en passend bij de gemiddelde risicohouding. Illiquiditeit is beperkt in defensieve profielen en afgestemd op leeftijd, duurzaamheid is integraal met ruimte voor een hoger niveau, passief is de standaard en de kosten zijn laag en transparant.
Een zorgvuldige herijking verloopt in fasen: een bestuursbesluit met mandaat en kader en heldere rollen, een analytische basis met een Wtp-conforme ALM-studie en scenario's, een consultatie met bestuurders, de beleggingscommissie en deelnemers via surveys en panels, een concept met een red-team-review door externe experts en een formeel bestuursbesluit, en ten slotte de implementatie in de strategische allocatie en de mandaten met een jaarlijkse actualiteitscheck en een grote herijking elke drie tot vijf jaar of bij een stelselwijziging. Onder de Wtp is deelnemersbetrokkenheid daarbij geen nice-to-have meer, omdat de risicohouding verplicht wordt opgehaald en het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan toetst op een evenwichtige belangenafweging.
De governanceles is dat het bestuur eigenaar moet zijn van de beliefs en ze niet door de fiduciair manager moet laten schrijven, dat de beliefs niet zo gedetailleerd mogen worden dat het regels worden, en dat ze intern consistent en voor deelnemers uitlegbaar blijven. Aanleidingen om te herijken liggen in de markt (structureel hogere inflatie, volatielere rente, lagere verwachte aandelenrendementen, de groei van private markten en geopolitieke risico's), in technologie en regelgeving (datagedreven besluitvorming, factorbeleggen, AI, en de rapportage-eisen van SFDR en CSRD), en in fondsspecifieke ontwikkelingen (veranderende demografie en risicobereidheid, de dekkingsgraad, of een nieuwe uitvoeringsorganisatie).
Bron: Wil J.T. Sillen, Investment Beliefs: Waarom Pensioenfondsen Niet Meer Zonder Kunnen (8 september 2026), aangevuld met de wetenschappelijke onderbouwing van Andonov, Jansen en Rauh, Subjective Beliefs and the Portfolio Allocations of Institutional Investors (SSRN, 2025), Andonov, Hochberg en Rauh (Journal of Finance, 2018) en Andonov en Rauh (Review of Financial Studies, 2022), en met de prudentiële kaders van DNB, het FTK en de prudent-person-regel. Aanvullende context: ASR Vermogensbeheer, AF Advisors en CFA Society Netherlands. De voorbeeld-beliefs en de afdekkingspercentages zijn indicatief en illustratief, geen norm.
De witte vlek is de groep werknemers die via de werkgever geen pensioen opbouwt in de tweede pijler. Waar de rest van dit dashboard vooral gaat over de fondsen en regelingen die er zijn, gaat dit over de mensen die erbuiten vallen. Het pensioenakkoord en de Wtp willen deze groep verkleinen, en voor het eerst sinds de metingen begonnen daalt hij, en die daling zet door.
| Peiljaar | Werknemers zonder pensioenopbouw | Aandeel van alle werknemers |
|---|---|---|
| 2019 | 936.000 | 13,4% |
| 2022 | 766.000 | 10,6% |
| 2023 | 680.000 | 9,3% |
De Stichting van de Arbeid presenteerde in 2020 het Aanvalsplan witte vlek, in 2022 aangescherpt, met 22 actiepunten om meer werknemers pensioen te laten opbouwen. De ambitie is om de witte vlek uiterlijk op 1 januari 2028 te halveren ten opzichte van 2019, wat neerkomt op 468.000 of minder. Deze reductiedoelstelling is in de Wet toekomst pensioenen verankerd.
Een tussenevaluatie volgt zodra de CBS-cijfers over 2024 beschikbaar zijn (verwacht in 2026). Ligt de voortgang onvoldoende op koers, dan is een wettelijke pensioenplicht als terugvaloptie genoemd. Een deel van de acties, zoals het vermelden van pensioen in vacatureteksten en het verlagen van de toetredingsleeftijd, ligt bij de cao-partijen.
De witte vlek concentreert zich in een handvol sectoren. In de advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering bouwt 34 procent van de werknemers (23.300) geen pensioen op, gevolgd door de praktijken van verloskundigen en paramedici met 28 procent (10.700), softwareontwikkeling en -uitgave met 24 procent (28.900) en IT-advisering met 19 procent (12.900). In al deze sectoren is de beroepsbevolking jong en werken relatief veel werknemers bij kleine bedrijven of als zzp'er-met-personeel, waardoor de aansluiting bij een pensioenfonds minder vanzelfsprekend is.
Naast de werknemers zonder pensioen staat de veel grotere groep zelfstandigen. Van de circa 1,2 miljoen zzp'ers betaalde in 2024 slechts 10,4 procent een lijfrentepremie als pensioenvoorziening in de derde pijler, een aandeel dat de afgelopen jaren eerder daalde dan steeg. Zelfstandigen zijn zelf verantwoordelijk voor hun pensioen, en een groot deel bouwt buiten de AOW weinig of niets op, al hebben zij vaker vermogen in de eigen woning of vrije besparingen.
De Wtp verruimt de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler naar het niveau van de tweede pijler, en biedt via een experimenteerbepaling ruimte om zelfstandigen vrijwillig te laten aansluiten bij een pensioenregeling in de tweede pijler.
Bronnen: CBS, Werknemers zonder pensioen, 2022-2023 (Pensioenaansprakenstatistiek, gepubliceerd 29 september 2025), in opdracht van het ministerie van SZW. Minister Paul (SZW) over de voortgang: Kamerbrief 17 november 2025. Stichting van de Arbeid, Aanvalsplan witte vlek pensioen (voortgangsrapportages). Zzp-cijfer: CBS, lijfrente en zzp'ers 2024. De halveringsambitie is verankerd in de Wet toekomst pensioenen.
Als de halvering van de witte vlek niet op schema ligt, is een wettelijke pensioenplicht als terugvaloptie genoemd. Netspar onderzocht in 2026 hoe die er in de praktijk uit zou zien. Het paper verkent twee hoofdvarianten: een standaarduitvoerder (vergelijkbaar met het zorgverzekeringsmodel, met een aangewezen partij en acceptatieplicht) en een keuzemodel waarbij werkgevers en zelfstandigen kiezen uit bestaande aanbieders. De conclusie is dat een pensioenplicht juridisch en institutioneel haalbaar is, maar dat de ontwerpkeuzes bepalend zijn: een standaarduitvoerder is kostenefficient en voorkomt selectie, maar remt innovatie; een keuzemodel stimuleert concurrentie, maar vergt meer van deelnemers en kan risicoselectie uitlokken.
Bron: Casper van Ewijk, Uitvoeringsaspecten van een pensioenplicht in Nederland (Netspar Occasional Paper 2026-01, 6 augustus 2026).
De derde pijler, bestaand uit lijfrentes, banksparen en bancaire beleggingslijfrentes, is lang het stiefkindje van het pensioendebat. Onder de Wtp verandert dat: wie keuzevrijheid krijgt (bedrag ineens, variabele uitkeringen, eerder stoppen), zal vaker de rekenkamer van de fiscus betreden. Deze sectie brengt de fiscale bouwstenen, de bedragen 2026 en de raakvlakken met het nieuwe stelsel op een plek.
De kernsystematiek van jaarruimte en reserveringsruimte bestaat sinds 1994 en is qua architectuur onveranderd, maar de bedragen schuiven jaarlijks door. De jaarruimte is 30 procent van de premiegrondslag (het inkomen tot maximaal 137.800 euro, verminderd met de AOW-franchise van 19.172 euro) minus 6,27 maal de factor A uit het UPO. Wie geen pensioen opbouwt bij een werkgever, heeft de volle jaarruimte: maximaal 35.589 euro in 2026.
De inleg is aftrekbaar in box 1 tegen het marginale tarief, tot 49,5 procent. De uitkeringen zijn bij ontvangst belast als inkomen, maar tijdens de opbouw valt de waarde buiten box 3. Dat maakt de lijfrente fiscaal vaak gunstiger dan vrij sparen, mits de uitkering later tegen een lager tarief belast wordt dan de aftrek opleverde. Onbenutte jaarruimte blijft maximaal tien jaar vorderbaar via de reserveringsruimte, tot een maximum van 42.753 euro per jaar in 2026. De fiscale oudedagsreserve (FOR) is sinds 2023 gesloten voor nieuwe stortingen.
| Product | Fiscaal | Maximum / voorwaarde | Kenmerk |
|---|---|---|---|
| Lijfrenteverzekering | Aftrek box 1 | Jaarruimte max. € 35.589 | Bij verzekeraar, met garantie of belegging |
| Banksparen (lijfrenterekening) | Aftrek box 1 | Depotbankvoorschrift | Veilig alternatief bij een bank |
| Bancaire beleggingslijfrente | Aftrek box 1 | Eigen beleggingskeuze | Past bij keuzevrijheid nieuw stelsel |
| Tijdelijke oudedagslijfrente (TOL) | Uitkering belast | Max. € 27.192/jaar, 5 tot 20 jaar | Brug tussen pensioendatum en AOW |
| Bedrag ineens (tweede pijler) | Belast in een jaar | Max. 10% van het ouderdomspensioen | Telt op bij inkomen, toeslagen en premie lopen terug |
Bedrag ineens: de fiscale valkuil. De eenmalige opname van maximaal 10 procent van het ouderdomspensioen wordt opgeteld bij het inkomen van dat jaar. Het gevolg: een hogere belastingschijf, lagere toeslagen (huurtoeslag, zorgtoeslag), een hogere ingehouden zorgpremie en soms terugbetaling van toeslagen. Voor de doelgroep, mensen met lage inkomens en kleine pensioenen, is het netto voordeel daardoor vaak klein of negatief. De AFM acht adequate keuzebegeleiding bij het bedrag ineens verplicht.
Zzp'ers: de derde pijler als enige pijler. Wie geen werkgeverspensioen heeft, bouwt vrijwel uitsluitend op via de derde pijler. Bij een winst van 100.000 euro is de premiegrondslag circa 80.828 euro en de jaarruimte maximaal circa 24.248 euro. Sinds de FOR per 2023 gesloten is, zijn de lijfrente en de bancaire beleggingslijfrente de enige fiscaal gefaciliteerde routes. Toch betaalde in 2024 slechts 10,4 procent van de circa 1,2 miljoen zzp'ers een lijfrentepremie voor pensioen.
Box 3 tegenover lijfrentewaarde. Vrij vermogen in box 3 wordt in 2026 forfaitair belast op basis van een rendementsaanname van 6,19 procent, vermenigvuldigd met 36 procent. De lijfrentewaarde valt tijdens de opbouw buiten box 3. Dat maakt de lijfrente fiscaal vaak gunstiger dan vrij sparen, mits de slotuitkering tegen een lager tarief belast wordt dan de aftrek opleverde.
Ontbrekend: een flexibel derde-pijlerproduct. De Wtp maakt de tweede pijler flexibeler (bedrag ineens, variabele uitkering), maar een echt derde-pijlerproduct met flexibele opname, vergelijkbaar met het Vlaamse pensioensparen, ontbreekt in Nederland nog. De einddatum- en verplichtingeneisen van de lijfrente blijven strak. Dat is een structureel punt in het fiscale debat.
De AFM onderzocht in 2023 het daadwerkelijke gebruik van de derde pijler op basis van CBS-microdata over 2020. Slechts 5 procent van de werknemers en 11 procent van de zelfstandigen legde in dat jaar enig bedrag in. Van de werknemers die inlegden, was de mediaan 1,8 procent van het inkomen boven de AOW-franchise, terwijl werknemers zonder tweedepijleropbouw mediaan 4,8 procent inlegden. Dat staat in schril contrast met de premie bij grote pensioenfondsen, die doorgaans tussen de 25 en 30 procent van het pensioengevend salaris bedraagt.
De conclusie van de AFM is dat de derde pijler een aanvulling is op de tweede pijler, maar geen vervanging: tekorten worden nauwelijks gecompenseerd. De DNB-toereikendheidsanalyse noemt de bijdrage van de derde pijler aan het pensioeninkomen "relatief verwaarloosbaar" voor zowel lage als hoge inkomens. Onderzoek van het NIDI en de Universiteit Leiden (2025) op 4,3 miljoen huishoudens bevestigt dat beeld: het mediane pensioeninkomen uit de eerste drie pijlers komt uit op circa 33.000 euro bruto per jaar, oftewel een vervangingsratio van circa 60 procent, en de derde pijler draagt daar maar marginaal aan bij.
Aanvullende bronnen: AFM, Pensioenopbouw via de derde pijler (2023, op basis van CBS-microdata 2020) en NIDI en Universiteit Leiden, De pensioenopbouw van de Nederlandse bevolking onder de loep (Demos, september 2025, CBS-microdata 2022). De DNB-toereikendheidsanalyse (27 juni 2024) is elders in dit dashboard opgenomen.
Bronnen: Belastingdienst, jaarruimte berekenen (fiscale cijfers 2026). Het zzp-percentage (10,4% betaalde lijfrentepremie in 2024) komt uit de CBS-zzp-statistiek, ook opgenomen in de sectie Witte vlek. De AFM-eis rond keuzebegeleiding bij het bedrag ineens volgt uit het AFM-transitietoezicht. Het box-3-forfait van 6,19% geldt voor banktegoeden in 2026; voor beleggingen geldt een hoger forfait van 6,04%. Alle bedragen gelden voor belastingjaar 2026 en kunnen jaarlijks wijzigen.
De AOW is de eerste pijler, omslaggefinancierd, en vormt de basis onder de vervangingsratio van de tweede pijler. De cijfers hieronder komen uit de antwoorden op Kamervragen over de houdbaarheid van de AOW van februari 2026 en zijn gebaseerd op het CPB en de Studiegroep Begrotingsruimte.
| Jaar | Boven AOW-leeftijd (×1.000) | 20 tot AOW-leeftijd (×1.000) | AOW-druk | Werkenden per AOW'er |
|---|---|---|---|---|
| 2033 | 3.870 | 11.147 | 35% | 2,9 |
| 2040 | 4.135 | 11.222 | 37% | 2,7 |
| 2050 | 4.064 | 11.576 | 35% | 2,8 |
| 2060 | 4.032 | 12.013 | 34% | 3,0 |
AOW-druk is de verhouding tussen het aantal mensen boven de AOW-leeftijd en het aantal mensen van 20 jaar tot de AOW-leeftijd, exclusief in het buitenland wonende AOW-gerechtigden. Aantallen zijn jaargemiddelden.
| Prognose | 2025 | 2040 | 2060 |
|---|---|---|---|
| Verwachting 2019 | 5,1% | 6,5% | 5,9% |
| Verwachting 2025 | 4,7% | 5,7% | 5,4% |
De AOW-last als aandeel van het bbp valt in de prognose van 2025 lager uit dan in 2019 werd verwacht. Voor 2033 en 2050 zijn geen cijfers beschikbaar.
De andere kant van de houdbaarheid is de toereikendheid. De netto vervangingsratio meet het netto pensioen uit verplichte regelingen als percentage van het netto loon, voor een gemiddelde verdiener met een volledige loopbaan. Nederland staat hierin bovenaan in de OECD, ruim boven het gemiddelde. Dit verklaart mede waarom Mercer het Nederlandse stelsel hoog waardeert op adequaatheid.
Netto vervangingsratio uit verplichte regelingen. Tot de hoge groep van 85% of meer horen ook Oostenrijk, Griekenland, Luxemburg, Portugal, Spanje en Türkiye. Aan de onderkant staan Ierland en Litouwen met minder dan 35%. Bron: OECD, Pensions at a Glance 2025 (netto vervangingsratio voor een voltijds gemiddelde verdiener, OECD-gemiddelde 63,2%).
De uitspraak dat er in 2033 nog maar twee werkenden per AOW'er zijn, gebruikt de grijze druk: de verhouding tussen 65-plussers en mensen van 20 tot 65 jaar. Zuiverder is de AOW-druk, die uitgaat van de werkelijke AOW-leeftijd en op ongeveer 2,9 werkenden per AOW'er uitkomt. De AOW-leeftijd ligt immers niet meer op 65 jaar. Sinds 2024 wordt bovendien voor het eerst meer dan de helft van de AOW uit algemene middelen betaald, doordat de premie sinds 2001 op 17,9% is gemaximeerd en de uitgaven sneller stijgen dan de premie-inkomsten.
Bron: Antwoorden op Kamervragen van het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) over de houdbaarheid van de AOW, kenmerk 2026Z03907, ingezonden 27 februari 2026. Onderliggende cijfers uit het CPB-rapport "Zorgen om morgen" (2019), het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (2025) en het CBS.
De een-op-eenkoppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting gaat definitief niet door. Het kabinet handhaaft de huidige, verzachte koppeling, waarbij de AOW-leeftijd met acht maanden stijgt per jaar extra levensverwachting in plaats van een-op-een, en waarbij de leeftijd vijf jaar vooruit wordt vastgesteld. Ook de eerder overwogen verlaging van het maximumdagloon is van tafel. De aftoppingsgrens voor het pensioengevend salaris in de tweede pijler blijft 137.800 euro en wordt van 2027 tot en met 2032 niet geïndexeerd; over het deel van het salaris daarboven is geen fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw mogelijk.
De AOW is in 2027 de grootste uitgavenpost op de SZW-begroting. De uitgaven stijgen doordat het aantal AOW-gerechtigden groeit. De rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds valt in 2027 lager uit door hogere geraamde premie-inkomsten, maar stijgt vanaf 2028 weer licht.
Over de Wtp meldt de begroting dat de transitie op koers ligt: voor meer dan de helft van de deelnemers is het nieuwe stelsel al realiteit. De uiterste transitiedatum blijft 1 januari 2028, en SZW monitort en rapporteert twee keer per jaar.
Bron: Memorie van toelichting SZW-begroting 2027 (15 september 2026) en Prinsjesdag 2026, maatregelen op het gebied van SZW (rijksoverheid.nl).
De internationale index en de fondsentabel meten het vermogen en de stelselkwaliteit. Ze zeggen nog niet welk inkomen een huishouden na pensionering overhoudt. De DNB-analyse over de toereikendheid van pensioenen (27 juni 2024) vult dat in op basis van integrale CBS-microdata over 4,3 miljoen huishoudens. De maatstaf is de vervangingsratio: het verwachte pensioeninkomen gedeeld door het inkomen vlak vóór pensionering.
Een werknemer heeft een pensioengevend salaris van € 100.000 vlak vóór pensionering. De verwachte AOW bedraagt € 25.000 en het verwachte ouderdomspensioen uit de regeling € 35.000. De vervangingsratio is dan (25.000 + 35.000) / 100.000 = 60 procent. Dit is een illustratie van de definitie, geen doorrekening van een concrete regeling. De werkelijke uitkomst hangt af van premie, rendement, de rente op de pensioendatum, de lifecycle en het aankooptarief van de uitvoerder.
De mediane bruto vervangingsratio, cumulatief opgebouwd per component. De eerste twee pijlers, AOW en werkgeverspensioen, dragen het leeuwendeel. De derde pijler voegt in de mediaan weinig toe. De grote sprong naar toereikendheid zit in de eigen woning, en die is in de praktijk niet zonder meer als inkomen inzetbaar.
| Component | Cumulatieve vervangingsratio |
|---|
Verdeling van de huishoudens over drie niveaus, gemeten tegen de vuistregel dat 70 tot 80 procent van het eerdere inkomen doorgaans volstaat om de levensstandaard voort te zetten. Zichtbaar is hoe sterk het beeld verschuift zodra het financieel vermogen en de eigen woning worden meegeteld.
| Definitie | Onder 70% | 70 tot 80% | Boven 80% |
|---|
De vervangingsratio wordt even sterk bepaald door de noemer als door de teller. Wie alleen het pensioengevend salaris in de noemer zet, laat bonus, ploegentoeslag en andere loonbestanddelen buiten beschouwing. Dat verhoogt de ratio optisch, terwijl de deelnemer de terugval ten opzichte van het totale inkomen ervaart. DNB en de OESO rekenen doorgaans met een breder inkomensbegrip. Een gerapporteerd percentage heeft daarom alleen betekenis samen met het gekozen referentie-inkomen.
De DNB-ratio's zijn berekend op huishoudniveau voor de feitelijke bevolking, met deeltijdloopbanen, onvolledige AOW-opbouw en wisselende dienstverbanden. Lees 60, 70 en 80 procent niet naast elkaar alsof zij dezelfde maatstaf gebruiken. De cijfers zijn bruto, een momentopname op basis van 2022, zonder inkomens- en vermogensgroei, en zonder de Wtp. Naar verwachting vergroot de Wtp vooral de spreiding in uitkomsten. Het zijn dus geen voorspellingen, maar een maatschappelijk referentiekader.
Het gemiddelde beeld verhult grote verschillen tussen groepen. Drie ervan springen eruit.
| Vergelijking | Groep | Waarde |
|---|
De zzp-achterstand uit de eerste drie pijlers loopt inclusief totaal privaat vermogen grotendeels terug, tot circa 77 tegenover 76 procent, zij het bij een lager absoluut inkomen en een grotere spreiding. De inkomens naar geslacht betreffen de hoofdkostwinner van het huishouden.
Deze cijfers zijn een referentiekader, geen norm voor één werkgeversregeling. Onder de Wtp is pensioen in de kern een premieregeling, waarin de premie de inleg bepaalt maar niet de uitkomst. Dat maakt de vervangingsratio juist aan de transitietafel bruikbaar: bepaal eerst welk pensioeninkomen de regeling moet opleveren en met welke slagingskans, en toets premie en inrichting daaraan, in plaats van andersom.
Bron: DNB Analyse, De toereikendheid van pensioenen (27 juni 2024), tabellen 2, 3 en 4, mediane uitkomsten op basis van CBS-microdata over 4,3 miljoen huishoudens (2022), aangevuld met OESO Pensions at a Glance 2023. De eerste drie pijlers omvatten AOW, werkgeverspensioen en vrijwillige pensioenproducten. Vervangingsratio's zijn bruto en op huishoudniveau, met de CBS-equivalentiefactor 1,40 voor tweepersoonshuishoudens. De cijfers houden geen rekening met de Wtp.
De Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van CBS en TNO peilt onder werknemers hoe tevreden zij zijn over hun pensioenregeling en hoe belangrijk zij pensioen vinden. Het gaat om werknemers van 15 tot 75 jaar, niet om zelfstandigen of gepensioneerden, en om de waardering van de regeling als arbeidsvoorwaarde, niet om tevredenheid over een reeds ontvangen pensioeninkomen. De steekproef is groot: ruim 21.000 antwoorden over tevredenheid en ruim 25.000 over het belang.
Verdeling van werknemers over niet tevreden, tevreden en heel tevreden, gesorteerd op het aandeel (heel) tevreden. De bovenste balk is het totaal ter vergelijking. Bestuur, onderwijs en zorg scoren hoog, terwijl recreatie, ICT, zakelijke dienstverlening en horeca meer ontevredenheid kennen. In de financiële sector is het aandeel heel tevreden het grootst.
| Bedrijfstak | Niet tevreden | Tevreden | Heel tevreden |
|---|
Tussen mannen en vrouwen zijn de verschillen klein maar significant. Vrouwen zijn iets vaker tevreden (86,6 tegenover 84,5 procent) en hechten vaker groot belang aan pensioen (97,9 tegenover 96,0 procent), terwijl mannen vaker heel tevreden zijn (20,1 tegenover 16,2 procent). Naar leeftijd zijn de jongste werknemers, 15 tot 24 jaar, het meest tevreden (89,7 procent), maar hechten zij er het minst belang aan (94,2 procent). De tevredenheid is het laagst in de groep 55 tot 64 jaar (83,4 procent), vlak voor de pensionering. Werkenden van 65 tot 75 jaar zijn het vaakst heel tevreden (22,2 procent).
De NEA meet hoe werknemers hun pensioenregeling als arbeidsvoorwaarde waarderen, niet of hun toekomstige inkomen volstaat. Een ruime meerderheid is tevreden, terwijl uit de vorige sectie blijkt dat 73 procent uit de eerste drie pijlers onder de 70%-vuistregel uitkomt. De twee spreken elkaar niet tegen. Waardering en verwachte toereikendheid zijn verschillende grootheden, en de eerste kan hoog zijn terwijl de tweede aandacht vraagt.
Bron: CBS en TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2025, kolompercentages naar geslacht, leeftijd en bedrijfstak, split-half B, veldwerk 2025, publicatie april 2026. Aantal waarnemingen: 21.345 voor tevredenheid en 25.365 voor belang. De enquête betreft werknemers van 15 tot 75 jaar, exclusief zelfstandigen en gepensioneerden. Tevredenheid betreft de pensioenregeling als arbeidsvoorwaarde, niet een reeds ontvangen pensioeninkomen.
Nederland staat op plaats 1 in de Mercer-index, maar het publieksvertrouwen ligt net boven neutraal. Dit onderdeel toont de afstand tussen de objectieve stelselkwaliteit en de beleving van deelnemers, op basis van de Publieksmonitor pensioenen kwartaal 2 2026 (Motivaction in opdracht van het ministerie van SZW, n=938, gewogen). Het is de achttiende meting en de tweede in de nieuwe reeks die Motivaction sinds begin 2026 uitvoert.
De reeks tot en met het vierde kwartaal van 2025 komt van MarketResponse. Vanaf 2026 meet Motivaction met een ander panel, een andere methode en een andere vragenlijst. De verticale lijn markeert die breuk. De twee reeksen staan naast elkaar als historische context en zijn niet direct vergelijkbaar. Onder de oude methode schommelde het vertrouwen jarenlang net boven neutraal, met pieken van 6,2 in Q2 en Q4 2025.
| Kwartaal | Vertrouwen | Methode |
|---|---|---|
| Q1 2022 | 5,5 | oude methode |
| Q2 2022 | 5,8 | oude methode |
| Q3 2022 | 5,6 | oude methode |
| Q4 2022 | 5,7 | oude methode |
| Q1 2023 | 5,8 | oude methode |
| Q2 2023 | 5,7 | oude methode |
| Q3 2023 | 5,7 | oude methode |
| Q4 2023 | 5,7 | oude methode |
| Q1 2024 | 5,7 | oude methode |
| Q2 2024 | 5,9 | oude methode |
| Q3 2024 | 6,0 | oude methode |
| Q4 2024 | 5,9 | oude methode |
| Q1 2025 | 5,9 | oude methode |
| Q2 2025 | 6,2 | oude methode |
| Q3 2025 | 5,9 | oude methode |
| Q4 2025 | 6,2 | oude methode |
| Q1 2026 | 5,7 | nieuwe methode |
| Q2 2026 | 5,7 | nieuwe methode |
| Groep | Vertrouwen | Kennis 3-delig stelsel | Bekend met wijziging | Duiding |
|---|---|---|---|---|
| Gepensioneerden | 6,4 | 84% | 77% | Hoogste vertrouwen, beschermd in de uitkeringsfase |
| Niet-gepensioneerd 55+ | 5,7 | 78% | 77% | Pensioenmoment nabij, relatief goed op de hoogte |
| Niet-gepensioneerd 18–55 | 5,4 | 64% | 58% | Draagt het Wtp-risico, laagste kennis en bekendheid |
| Financieel hoog geletterd | 6,3 | 88% | 76% | Meer kennis gaat samen met meer vertrouwen |
| Financieel gemiddeld geletterd | 5,8 | 79% | 76% | Beeld dicht bij het landelijk gemiddelde |
| Financieel laag geletterd | 5,2 | 50% | 45% | Kwetsbaar, laagste kennis en bekendheid |
| Totaal Nederland | 5,7 | 71% | 66% | Vertrouwen gelijk aan Q1 2026, bekendheid gedaald van 72% |
Over de eigen regeling bestaat veel onduidelijkheid. 27 procent van de Nederlanders denkt dat het eigen pensioen al is aangepast aan de nieuwe regels, 33 procent denkt van niet en 40 procent weet het niet. Onder 18 tot 55-jarigen en laag financieel geletterden loopt dat weet-nietaandeel op tot ongeveer de helft (50 respectievelijk 52 procent). Of het pensioen daadwerkelijk al is ingevaren, meet de monitor niet, het gaat om de perceptie van de deelnemer.
Internationaal geldt Nederland als het beste pensioenstelsel ter wereld. Het publiek waardeert dat stelsel met 5,7 op 10, net boven neutraal. 19 procent heeft veel vertrouwen, 69 procent is neutraal en 12 procent heeft weinig tot geen vertrouwen. De verklaring ligt in kennis en communicatie. 71 procent weet dat het pensioen uit drie delen bestaat, maar slechts 35 procent herkent dat het onjuist is dat er voor jongeren later bijna geen pensioen meer zou zijn. De transitie voegt onzekerheid toe die losstaat van de objectieve stelselkwaliteit.
De Mercer-index meet stelselkwaliteit, een technische beoordeling van bovenaf. De Publieksmonitor meet draagvlak, een beleving van onderaf. Beide zijn juist, maar vertellen een ander verhaal. Dat Nederland internationaal op nummer 1 staat terwijl maar een vijfde van de bevolking veel vertrouwen heeft, laat zien dat een sterk stelsel niet vanzelf tot geruststelling leidt. De transitie is technisch solide, de communicatieopgave blijft groot.
Sinds het eerste kwartaal van 2026 voert Motivaction de Publieksmonitor uit met een aangepaste vragenlijst, methodiek en panel. De cijfers vanaf 2026 vormen een nieuw startpunt en zijn volgens het ministerie niet te vergelijken met de reeks van MarketResponse tot en met 2025. De vergelijkingen in dit onderdeel betreffen daarom uitsluitend Q1 2026 tegenover Q2 2026.
Bron: Publieksmonitor pensioenen kwartaal 2 2026 (Motivaction in opdracht van het ministerie van SZW), achttiende meting, n=938, veldwerk 11 tot en met 27 mei 2026, gepubliceerd 6 juli 2026 (bijlage bij de Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen zomer 2026, 2 juli 2026). Online onderzoek onder het ISO-20252:2019-gecertificeerde panel Stempunt, 28 vragen, gewogen op leeftijd, geslacht, regio en opleiding via RIM-weging met de Gouden Standaard van het CBS als ijkbestand. Vanaf de meting over het eerste kwartaal van 2026 wordt de monitor door Motivaction met een gewijzigde opzet uitgevoerd, waardoor 2026 een nieuwe, niet met de MarketResponse-reeks vergelijkbare basislijn vormt.
De Netspar Monitor Deelnemerservaringen meet hoe deelnemers de communicatie van hun eigen pensioenfonds over de transitie beoordelen, in termen van begrip, sentiment en activatie. Daarmee vult de monitor de vorige twee onderdelen aan: de NEA meet de waardering van de regeling als arbeidsvoorwaarde en de Publieksmonitor het stelselbrede vertrouwen, terwijl deze monitor de uitvoerder-specifieke ervaring in beeld brengt.
De uitkomsten komen van 7 tot 10 pensioenfondsen die zelf deelnemers uitnodigen en zelf hun steekproef samenstellen. De deelnemende fondsen waren ten tijde van de meting nog niet ingevaren. Het aantal respondenten verschilt per vraag en varieert tussen 5.925 en 20.348. De cijfers gelden voor deelnemers bij deze deelnemende fondsen en zijn niet zonder meer representatief voor alle Nederlandse deelnemers.
Gemiddeld rapportcijfer voor het fonds als geheel. De tevredenheid is over de hele linie gestegen. Gepensioneerden en 55-plussers zijn met een 8,2 het meest tevreden, slapers met een 7,4 het minst. Dit rapportcijfer betreft het fonds als geheel en staat los van de tevredenheid over de regeling als arbeidsvoorwaarde uit de NEA-sectie.
Ten opzichte van de vorige meting verwachten meer mensen er op vooruit te gaan en minder mensen achteruit. De groep van 40 tot 54 jaar verwacht het vaakst achteruitgang (36,6 procent), terwijl jongeren en gepensioneerden juist vaker een vooruitgang verwachten.
Instemming met stellingen over het vertrouwen in de eigen uitvoerder, gesorteerd op het aandeel (zeer) eens. Het vertrouwen in een zorgvuldige en goede overgang is hoog. Opvallend is dat dit vertrouwen zich nog niet vertaalt in een gerust gevoel: die stelling scoort het laagst.
Gemiddelde score per emotie op een schaal van 1 tot 5, vorige en huidige rapportage. Positieve emoties zijn licht toegenomen en negatieve licht afgenomen. De verschillen zijn volgens Netspar significant.
Het begrip over de reden van de stelselwijziging neemt duidelijk toe. Op een schaal van 1 tot 7 zit nu 66,9 procent in de drie hoogste categorieën, tegen 42,9 procent bij de vorige rapportage. Van de deelnemers heeft 91 procent de afgelopen zes maanden informatie gezien, vooral via e-mail (42,4 procent) en de online nieuwsbrief (31,6 procent).
De informatie wordt overwegend positief beoordeeld. Een ruime meerderheid vindt de informatie begrijpelijk (74,8 procent eens) en duidelijk (63,4 procent eens). Tegelijk geeft een kleiner deel aan dat de communicatie veel nieuwe informatie bevat (30,4 procent eens), wat erop wijst dat berichten niet altijd nieuwe inhoud toevoegen. De informatie over pensioen en de hulp bij vragen krijgen als rapportcijfer een 8,2 respectievelijk 7,9.
De activatie blijft achter bij de informatievoorziening. Van de deelnemers weet 72,8 procent waar zij terecht kunnen met vragen, maar slechts 49 procent geeft aan zich door de berichtgeving meer in het eigen pensioen te verdiepen. Ruim een derde neemt hierover geen duidelijk standpunt in.
Deelnemers bij de deelnemende fondsen zijn steeds beter geïnformeerd en positiever over de transitie en hun fonds. Twee signalen vragen aandacht. De groep van 40 tot 54 jaar verwacht het vaakst achteruitgang, en het hoge vertrouwen in een goede overgang vertaalt zich nog niet in een gerust gevoel. Beide wijzen op ruimte voor gerichte communicatie in de aanloop naar het invaren.
Bron: Netspar, Monitor Deelnemerservaringen, rapportage juni 2026 (meting vierde kwartaal 2025). De monitor wordt uitgevoerd via een gestandaardiseerde online vragenlijst onder actieve deelnemers, pensioengerechtigden en gewezen deelnemers van deelnemende pensioenfondsen. Aantal deelnemende fondsen 7 tot 10, steekproefomvang per vraag tussen 5.925 en 20.348. De deelnemende fondsen waren ten tijde van de meting nog niet ingevaren, waardoor de uitkomsten de ervaring in de aanloop naar het invaren weergeven.
In een aanvullend Netspar-experiment onder 2.024 gepensioneerden werden drie communicatiestrategieën getest naast een standaardboodschap: transparant erkennen dat de uitkomst onzeker is, benadrukken wat zeker blijft (de AOW), en uitleggen dat de nieuwe wet met breed draagvlak tot stand is gekomen.
Het resultaat is eenduidig. De AOW-zekerheidsboodschap scoort het best: deelnemers beoordelen haar als het duidelijkst, zij roept minder vragen op en leidt tot meer positieve reacties. Het psychologische mechanisme is dat het meer uitmaakt dat er een zeker deel is dan hoe groot dat deel precies is, zodat het benadrukken van de AOW disproportioneel geruststellend werkt, ook bij financieel kwetsbare deelnemers. De boodschap die transparant is over de onzekerheid presteert niet beter dan de standaard. De boodschap die het brede draagvlak benadrukt, werkt zelfs averechts: zij roept iets negatievere en minder zekere reacties op, vermoedelijk samenhangend met het lage politieke vertrouwen in Nederland.
Financieel kwetsbare deelnemers reageren op alle boodschappen negatiever, maar er zijn geen aanwijzingen dat zij een andere strategie nodig hebben. De praktische les: splits pensioencommunicatie op in wat zeker is en wat onzeker is, en begin met de zekerheid.
Bron: Festjens, Webers en Hensen, Communicatie van fluctuerende pensioenen (Netspar Industry Paper 2026-39, september 2026). Experiment onder 2.024 gepensioneerden, herwogen naar de inkomensverdeling van ouderdomsgepensioneerden bij bedrijfstakpensioenfondsen.
Naast de beleving van deelnemers volgt de monitor een hard signaal: het aantal formele klachten en geschillen over de transitie. In deze fase blijft dat aantal beperkt en is de aard grotendeels ongewijzigd. Het grootste deel van de geschillen is bovendien niet aan de Wtp gerelateerd. Wel nemen de vragen aan uitvoerders toe, onder meer over compensatie.
| Kenmerk | GIP (pensioenfondsen) | Kifid (verzekeraars en PPI's) |
|---|---|---|
| Aantal geschillen | 203 | 40 |
| Verslagperiode | 1 januari tot 30 april 2026 | 1 december 2025 tot 1 juni 2026 |
| Voornaamste aard | Pensioenberekening en -betaling, toepassing van wet- en regelgeving, informatieverstrekking | Uitblijven van indexatie op pre-Wtp-regelingen, lifecycleklachten, (bijzonder) nabestaandenpensioen |
| Afhandeling | 70% via bemiddeling, 30% directe beslechting | Deels via bemiddeling of ingetrokken voor een uitspraak |
| Uitspraken | 70% bindend, 30% niet-bindend | 47,5% bindend, 45,0% niet-bindend, 7,5% geen keuze |
| Doorlooptijd | 164 werkdagen | 241 werkdagen |
Het aantal civiele Wtp-zaken bij de Raad voor de Rechtspraak bleef tot en met het eerste kwartaal van 2026 onder de tien, lager dan bij de behandeling van de wet werd verwacht. Dat duidt erop dat geschillen over de Wtp vooralsnog vrijwel geheel buitengerechtelijk worden beslecht, via de GIP en het Kifid. De ontwikkeling van klachten en geschillen blijft een belangrijk aandachtspunt naarmate meer deelnemers overstappen.
Bron: Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen zomer 2026 (ministerie van SZW, 2 juli 2026), hoofdstuk 5.4, op basis van cijfers van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP), het Kifid en de Raad voor de Rechtspraak. De verslagperioden verschillen per instantie. Bij de GIP is geen onderscheid gemaakt tussen wel en niet aan de Wtp gerelateerde geschillen. De doorlooptijden zijn gemiddelden van de afgeronde zaken.
De voorgaande secties rusten op primaire, openbare bronnen. Dit onderdeel staat daar bewust los van. Het bundelt vier modelmatige analyses die aannames als uitkomst presenteren: de rendementen per regio en assetklasse, een counterfactual rond de Wtp, de generatie-impact en een rolling veertigjaars uitkeringsratio.
De onderdelen in deze sectie zijn modelmatig. De invoer komt uit een eerder werkmodel en berust op aannames over rendement, kosten en risico-afbouw. Ze illustreren mechanismen en verhoudingen, waarbij de exacte waarden in werkelijkheid kunnen afwijken. Onder elk blok staat de bijbehorende bronvermelding.
Bij aannames over rendement wordt de 5,4 procent uit de Commissie Parameters 2022 vaak gelezen als het verwachte aandelenrendement. Dat is een misverstand. Het is een asymptotische langetermijnparameter voor zakelijke waarden vóór kosten, een modelwaarde die pas op zeer lange horizon geldt.
Op realistische termijnen van vijf, tien of vijfentwintig jaar volgen de verwachtingen uit de uniforme scenariosets die DNB elk kwartaal publiceert, en die wijken per set af. De afgelopen sets liggen op die termijnen doorgaans iets boven de 5,4 procent en bewegen richting de asymptotische waarde naarmate de horizon oploopt. Wie de parameter als puntverwachting hanteert, rekent zich eerder arm dan rijk.
Bronnen: Commissie Parameters 2022. DNB, uniforme scenariosets (kwartaalpublicatie).
De feitelijke nominale en reële rendementen per land staan nu als geverifieerde OECD-data in de sectie Internationaal rendement. De uitsplitsing hieronder naar assetklasse en regiogroep is modelmatig, samengesteld uit geaggregeerde fondsrapportages en indices, en dient ter illustratie van de onderlinge verhoudingen.
| Assetklasse | Nordics | EU-kern | Anglo-Saksisch | Oost-Azië | Midden-Oosten | Wereldwijd |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Aandelen (ontwikkeld) | +10,8% | +10,2% | +12,5% | +8,4% | +9,1% | +10,6% |
| Aandelen (opkomend) | +7,2% | +6,8% | +8,1% | +9,5% | +7,8% | +7,9% |
| Obligaties (staat) | +1,8% | +2,1% | +2,8% | +1,2% | +3,5% | +2,2% |
| Obligaties (bedrijven) | +3,2% | +3,0% | +3,8% | +2,5% | +4,1% | +3,3% |
| Vastgoed (indirect) | +6,5% | +5,8% | +5,2% | +4,8% | +6,2% | +5,7% |
| Alternatief (PE en infra) | +9,4% | +8,7% | +10,1% | +7,3% | +8,9% | +8,9% |
| Gemiddeld totaal | +7,9% | +7,2% | +8,5% | +6,8% | +7,6% | +7,8% |
Simulatie. Bron van de aannames: geaggregeerde fondsrapportages, OECD Pension Markets in Focus 2025 en Bloomberg-indices. Rendementen zijn gemiddelden over 2024–2025 en kunnen per fonds afwijken. Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.
Een gedachte-experiment op basis van de Mercer-indicatoren. De totaalscore en de drie subscores worden herwogen onder alternatieve institutionele scenario's, om zichtbaar te maken welke afweging de Wtp inhoudt.
| Scenario | Totaal | Δ t.o.v. nu | Toereikendheid | Houdbaarheid | Integriteit |
|---|---|---|---|---|---|
| Werkelijkheid (2025) | 85,4 | — | 86,1 | 83,5 | 86,8 |
| Werkelijkheid (2026) | 85,8 | — | 87,7 | 82,6 | 87,2 |
| Geen Wtp (oud DB voortgezet) | 82,1 | −3,3 | 88,5 | 75,2 | 84,3 |
| Wtp zonder solidariteit | 83,8 | −1,6 | 84,2 | 82,1 | 85,9 |
| Wtp met volledige indexatie | 86,9 | +1,5 | 88,0 | 84,5 | 88,3 |
Zonder de Wtp zou de toereikendheid hoger uitvallen, maar de houdbaarheid fors lager. Dat is precies de ruil die de hervorming maakt: minder gegarandeerde toereikendheid in ruil voor een robuustere houdbaarheid. Dat Nederland in alle scenario's een A-score houdt, komt doordat de fundamenten op governance, kapitalisatie en regelgeving sterk blijven. De counterfactuals zijn modelmatige schattingen, geen voorspellingen.
De transitie raakt generaties verschillend. Oudere cohorten behouden veelal hun opgebouwde rechten, terwijl jongere generaties een groter deel van het beleggingsrisico overnemen. De verdeling hieronder toont het geschatte aandeel opbouw in uitkerings- tegenover premievorm en een indicatief Wtp-risico.
| Generatie | Fase | DB (garantie) | DC (belegging) | Wtp-risico |
|---|---|---|---|---|
| Babyboomers (1955–1970) | Uitkeringsfase | 85% | 15% | 10% |
| Generatie X (1970–1985) | Overgangsfase | 45% | 55% | 35% |
| Millennials (1985–2000) | Volledig DC | 5% | 95% | 65% |
| Generatie Z (2000 en later) | Langste horizon | 0% | 100% | 80% |
Wtp-risico is de indicatieve kans op een lagere uitkering ten opzichte van het oude stelsel. Babyboomers zijn grotendeels beschermd, waarbij alleen de indexatie kan fluctueren. Generatie X kent een mix van garantie en belegging met de solidariteitsreserve als buffer. Millennials en Generatie Z bouwen volledig in het nieuwe stelsel op en dragen het beleggingsrisico individueel, met meer keuzevrijheid en minder zekerheid.
De Wtp wordt vooral gepresenteerd als winst voor de houdbaarheid. De prijs komt bij jongere generaties te liggen: minder garantie, meer beleggingsrisico en een complexere keuze-omgeving. Tegelijk profiteren zij van de solidariteitsreserve wanneer die goed wordt ingezet. De vraag is of de reserve intergenerationeel evenwichtig wordt verdeeld.
Simulatie. Thematisch gemodelleerd op basis van Netspar, DNB en de Kamerbrief Monitoring Wtp. De percentages zijn indicatief en dienen ter illustratie van de verdeling, niet als vastgestelde uitkomst.
Een backtest die per voortschrijdende veertigjaarsperiode de gemiddelde jaarlijkse uitkering vergelijkt tussen een gesimuleerd Wtp-stelsel (premieopbouw met lifecycle-afbouw) en een gesimuleerd oud DB-stelsel met historische indexatie. Een waarde boven honderd procent betekent een hogere uitkering dan het oude stelsel. Dit staat naast de robuustheidstest van Sprenkels elders in dit dashboard en is nadrukkelijk een eigen modelmatige simulatie.
| Periode | Wtp | DB | Verschil |
|---|---|---|---|
| 1982–2022 | 121% | 101% | +20% |
| 1983–2023 | 119% | 100% | +19% |
| 1950–1990 | 118% | 94% | +24% |
| 1949–1989 | 116% | 93% | +23% |
| 1948–1988 | 114% | 96% | +18% |
| Periode | Wtp | DB | Verschil |
|---|---|---|---|
| 1924–1964 | 92% | 100% | −8% |
| 1925–1965 | 94% | 101% | −7% |
| 1926–1966 | 95% | 101% | −6% |
| 1927–1967 | 97% | 102% | −5% |
| 1928–1968 | 98% | 102% | −4% |
In 47 van de 61 voortschrijdende veertigjaarsperiodes leverde het gesimuleerde Wtp-stelsel een hogere uitkering dan het oude DB-stelsel, met een gemiddelde voorsprong van circa twaalf procent. De DB-lijn kent diepe dalen in periodes met indexatiekortingen, zoals 1973 tot 1982 en 2008 tot 2015. Het Wtp-stelsel is volatieler, maar herstelt sneller door beleggingsrendementen.
De uitkomst ondersteunt het argument dat het nieuwe stelsel voor de meeste generaties structureel voordeliger is, maar met hogere volatiliteit. De kernvraag is niet of het Wtp-stelsel gemiddeld beter presteert, maar of de buffers, de solidariteitsreserve en de garantieregelingen, de uitzonderlijk slechte periodes voldoende opvangen.
Simulatie op basis van DNB-modellen en de Sprenkels-analyse. Aannames: reëel rendement aandelen 6,5 procent en obligaties 2,0 procent, kostenratio 0,40 procent, risico-afbouw van 100 procent aandelen op 25-jarige leeftijd naar 30 procent op 67-jarige leeftijd, en DB-indexatie volgens historische CBS- en DNB-patronen. De volledige rolling reeks is een modelmatige illustratie. De toekomst kan van het verleden afwijken.
Twee langzame krachten bepalen het speelveld achter de cijfers in dit dashboard: de levensverwachting, die de verplichtingen en de AOW-leeftijd stuurt, en de consolidatie, die het aantal fondsen al decennia terugbrengt. Beide zijn beknopt weergegeven.
Het Koninklijk Actuarieel Genootschap publiceert elke twee jaar een prognosetafel met de verwachte sterftekansen. Die tafel is de marktstandaard waarmee pensioenfondsen en verzekeraars hun verplichtingen en inkoopfactoren waarderen, en vormt zo de actuariële kern achter de dekkingsgraden. Waar de levensverwachting decennialang gestaag steeg, hebben de laatste twee tafels haar juist neerwaarts bijgesteld. AG2024, van september 2024, ging ervan uit dat de oversterfte sinds de coronapandemie jaarlijks met een kwart afneemt in plaats van te halveren. AG2026, van september 2026, neemt voor het eerst aan dat een kwart van de oversterfte blijvend is, een nieuw normaal, waardoor de levensverwachting minder sterk toeneemt en de verplichtingen en inkoopfactoren verder dalen ten opzichte van AG2024.
Dezelfde demografie stuurt de AOW-leeftijd. Sinds 2025 stijgt die voor tweederde mee met de resterende levensverwachting op 65 jaar, oftewel ongeveer acht maanden per jaar extra levensverwachting, en wordt hij vijf jaar vooruit vastgesteld op basis van de CBS-kernprognose. De AOW-leeftijd is 67 jaar in 2025 tot en met 2027 en 67 jaar en 3 maanden van 2028 tot en met 2031. Doordat de meest recente CBS-raming de levensverwachting juist verlaagde, blijft de AOW-leeftijd in 2031 vlak op 67 jaar en 3 maanden in plaats van verder te stijgen. De volgende herijking van de koppeling volgt in 2027.
| Maatstaf | Mannen | Vrouwen |
|---|---|---|
| Levensverwachting op 65, AG2026 | 20,6 jaar | 23,1 jaar |
| Levensverwachting op 65, AG2024 | 20,8 jaar | 23,7 jaar |
| Effect op de inkoopfactor rond de pensioenleeftijd | −1,0% | −1,5% |
| Effect op de voorziening (gemiddelde portefeuille) | −0,9% | −1,4% |
De levensverwachting op 65 komt in AG2026 uit op 20,6 jaar voor mannen en 23,1 jaar voor vrouwen, iets lager dan in AG2024, en ook bij geboorte gaat er ongeveer vier maanden af. Doordat het sterfterisico rond de pensioenleeftijd iets hoger uitvalt, dalen de inkoopfactoren licht: wie straks pensioen inkoopt, krijgt met hetzelfde kapitaal iets meer. Wie op 65 met 400 duizend euro een pensioen van 20 duizend euro per jaar inkoopt, ontvangt straks ruim 20.200 euro, levenslang. De voorziening van een gemiddelde portefeuille zakt met 0,9 tot 1,4 procent, goed voor ongeveer een procentpunt dekkingsgraad.
Er is een opvallende uitzondering: het latente partnerpensioen van vrouwelijke hoofdverzekerden wordt juist duurder, tot 6,7 procent op leeftijd 65. En de sterftekansen stijgen breed, voor het eerst ook met oversterfte onder de 55 jaar, precies de leeftijden waarop nabestaanden- en overlijdensrisicodekking wordt verzekerd. Werkgevers kunnen daardoor bij de volgende contractverlenging hogere risicopremies verwachten. De aanhoudende oversterfte onderbouwt de neerwaartse bijstelling: in 2025 overleden 11 procent meer vrouwen en 4 procent meer mannen dan verwacht op basis van de trend van vóór 2020, en bij vrouwen daalt die oversterfte niet. AG2026 gaat er daarom van uit dat een kwart ervan blijvend is en dat de rest met 5 procent per jaar verdwijnt in plaats van 25 procent.
| Leeftijdsband | Mannen | Vrouwen | Sekseneutraal 70/30 |
|---|---|---|---|
| 40 tot 49 | +8,1% | −4,1% | +4,8% |
| 50 tot 59 | +2,3% | −6,2% | +0,1% |
| 60 tot 64 | +1,0% | +2,5% | +1,3% |
| 65 tot 69 | +3,3% | +10,0% | +4,8% |
| 70 tot 74 | +4,0% | +9,3% | +5,1% |
| 75 tot 79 | +3,4% | +8,6% | +4,5% |
| 80 tot 84 | +2,3% | +6,3% | +3,2% |
| 85 tot 89 | +2,4% | +4,5% | +2,8% |
| 90 tot 99 | +3,7% | +4,4% | +3,9% |
| Maatmens | AG2024 | AG2026 | Verschil |
|---|---|---|---|
| Starter (25 jaar) | € 12.898 | € 13.031 | +1,03% |
| Midloopbaan (40 jaar) | € 19.961 | € 20.186 | +1,13% |
| Latere loopbaan (55 jaar) | € 25.648 | € 25.922 | +1,07% |
| Bijna pensioen (65 jaar) | € 23.042 | € 23.273 | +1,00% |
Ongeveer 80 procent van het sterfte-effect komt niet uit de waargenomen sterfteafwijkingen zelf, maar uit de beslissing van de Commissie Sterfte Onderzoek om een kwart van de oversterfte als blijvend te modelleren en de uitloop te vertragen van 25 naar 5 procent per jaar. Die modelbeslissing is de reden dat het effect op het benodigde vermogen (circa min 1 procent) aanzienlijk groter is dan alleen de waargenomen oversterfte zou verklaren.
Aanvullende bron voor de sterftekansverandering en de maatmensdoorrekening: URM-rekentabellen.nl (een dienst van PensioenNetwerk.nl), sterfteanalyse van 8 september 2026, op basis van de DNB CP2022 P-scenarioset 2026Q3 en Prognosetafel AG2026. Alle bedragen zijn indicatief en betreffen een fictief voorbeeldfonds met een sekseneutrale weging van 70/30 en richtleeftijd 68.
| Peiljaar | Aantal pensioenfondsen |
|---|---|
| 1998 | 1.042 |
| 2008 | 656 |
| 2018 | 240 |
| 2025 | circa 165 |
Bronnen: Koninklijk Actuarieel Genootschap, Prognosetafel AG2024 en AG2026. De AOW-leeftijd is vastgesteld door SZW en de SVB, gekoppeld aan de resterende levensverwachting op 65 jaar volgens de CBS-kernprognose. Aantal pensioenfondsen: De Nederlandsche Bank (peiljaren 1998, 2008, 2018 en 2025). De AG2026-tafel gaat voor het eerst uit van een deels blijvende oversterfte.
Dit dashboard combineert primaire, openbare rapportages en statistieken. Per grafiek staat de precieze bron met de bijbehorende peildatum en methodische kanttekening in de voetnoot onder de grafiek. Hieronder staan alle geraadpleegde bronnen bij elkaar.
Mercer CFA Institute Global Pension Index 2025. OECD, Pension Markets in Focus 2025, en de voorlopige editie 2026 (2025-cijfers) voor de internationale rendementen. OECD Global Pension Statistics. OESO, Pensions at a Glance 2023. UBS, Global Wealth Report 2024.
De Nederlandsche Bank: Transitienieuws Q1 2026; Jaargegevens individuele pensioenfondsen 2024 (tabel 8.19); beleidsdekkingsgraden 2023–2024; en DNB Analyse, De toereikendheid van pensioenen (27 juni 2024). AFM, Sector in beeld pensioenen 2026. IG&H, Pensioen Marktmonitor 2025. Deloitte, Outlook Nederlandse pensioen- en verzekeringsmarkt 2025, als compilatie van DNB-beleidsdekkingsgraden. EY, Wtp Transitiemonitor Zomerrapportage 2026. PensioenNetwerk.nl, transitieregister (open register, basis voor de registersectie). Werken aan ons Pensioen (SZW), over de DNB-invaarbeoordelingen in de eindfase. Koninklijk Actuarieel Genootschap, Prognosetafel AG2024 en AG2026, de marktstandaard voor de sterfteprognose.
Kamerbrief Monitoring Wtp, winter 2026 (ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Pensioenfederatie (26 februari 2026). Bell Pension Consultants & Actuaries (9 oktober 2025). KPMG, Pensioenonderzoek 2025. Publieksmonitor pensioenen Q3 2025 (Market Response in opdracht van SZW, n=904, gewogen). Invaarresultaten van de grootste fondsen en eerste invaarders: DNB, Pensioenfederatie, eigen fondscommunicatie (waaronder Rail & OV, BPF Schilders, Vlakglas en PFZW) en de DNB-invaarstand per 30 juni 2026. Stichting van de Arbeid, Aanvalsplan witte vlek pensioen. Tweede Kamer, de Kamerstukken over de monitoring van de Wtp en de Publieksmonitor pensioenen. Klimaatcommitment van de Nederlandse financiële sector.
CBS: microdata pensioentoereikendheid en de equivalentiefactor voor huishoudens. CBS en TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2025. CBS, Werknemers zonder pensioen (witte vlek, peiljaren 2019 tot en met 2023). VBDO, de benchmarks verantwoord beleggen voor pensioenfondsen en verzekeraars. Eerlijke Geldwijzer, de beleidsbeoordeling en de klimaatbeoordeling.
De sectie Scenario's en simulaties berust op een eerder werkmodel en niet op een primaire, openbare bron. De onderliggende aannames verwijzen naar OECD Pension Markets in Focus 2025, Bloomberg-indices, geaggregeerde fondsrapportages, DNB-modellen, de Sprenkels-analyse, Netspar en de Kamerbrief Monitoring Wtp. De uitkomsten zijn illustratief en staan bewust los van de geverifieerde data.
Netspar Board Brief 04/2023, Risicohouding (Jorgo Goossens, Marike Knoef en Raun van Ooijen, juli 2023), als achtergrond bij het meten van risicobereidheid en risicodraagvlak onder de Wtp. Dit is een conceptuele en methodologische bron ter verdieping, geen data in dit dashboard. Jansen, Klingler, Ranaldo en Duijm, Pension Liquidity Risk (The Review of Financial Studies, 2026), over het liquiditeitsrisico van de rentehedge. Review of ATP's Investment Strategy (2026), als internationale spiegel. Wil J.T. Sillen, Investment Beliefs (2026), met de wetenschappelijke onderbouwing van Andonov, Jansen en Rauh.
N. Ciurila e.a., Lage rente en de toekomst van pensioenen (CPB Policy Brief, CPB en Netspar, augustus 2020), als achtergrond bij het onderscheid tussen de tijdelijke herwaardering door de rente en een structureel lager rendementsniveau. Conceptuele bron, geen data in dit dashboard.
De uitspraken in de sectie Pensioenrechtspraak Wtp zijn te raadplegen via rechtspraak.nl, met de ECLI-links naar de volledige tekst. Het oordeel over de spreidingstermijn bij het invaren komt van het College voor de Rechten van de Mens. De geschillen over informatie en keuzebegeleiding lopen via de Geschilleninstantie Pensioenfondsen.
Deze verwijzingen zijn naslagtools voor de adviespraktijk en leveren geen data aan dit dashboard. AWVN Cao-kijker, met cao-ontwikkelingen, contractloonstijging en recente akkoorden. SZW cao-register, het officiële register van aangemelde cao's en de algemeenverbindendverklaring per sector.
De peildata verschillen per bron en per onderdeel. Ramingen, zoals het verwachte FPR-vermogen (IG&H) en de transitiekosten, zijn in de betreffende voetnoten als raming aangemerkt en niet vermengd met de primaire data. De onderdelen in de sectie Scenario's en simulaties zijn modelmatig en apart gehouden van de primaire data.